Als een roos

Geplaatst in: inspiratie | 0

Toen onze schoondochter stierf – zij leed aan spierdystrophie en werd daardoor maar 41 jaar – bereidde zij haar sterven en uitvaart uiterst zorgvuldig en soeverein voor, precies zoals zij haar leven geleid had. Het lot gunde het haar, dat alles vrijwel verliep zoals zij het wilde, zodat zij als het ware uit het leven weggleed. Wat er op de rouwkaart zou staan, was heel belangrijk voor haar en ik herinner me, hoe stralend tevreden zij keek, toen zij vertelde dat de kaart nu klaar was, door haar zelf samen met een vriendin ontworpen. Na haar overlijden bleek het een prachtige kaart geworden, waarbij de tekst precies uitdrukte wat zij over zichzelf wilde zeggen:

 

als een roos volledig uitgebloeid

na een krachtige tijd over de top van haar schoonheid heen

uitziend naar een moment van rust

om te kunnen bezien en te herstellen

voorbereidend op een nieuwe bloei.

om weer een roos in de knop te zijn

aan het begin te staan van een volgend bestaan

om opnieuw open te breken, uitbundig te bloeien, te groeien,

opnieuw verlangend naar de schoonheid van het bestaan

Het levenseinde
Bastiaan Baan

Het begin van het levenseinde
  • Excarnatieproces, onzekerheid en angsten: de fijne motoriek en de steun van de hersenen, die je de herinnering geven, beginnen je te ontvallen. De oriëntatie in ruimte en tijd valt weg: je bent niet helemaal HIER maar ook niet helemaal DAAR. Dat gaat bijna altijd gepaard met onzekerheid en op een gegeven ogenblik ook met angsten. Het lichaam begint gebreken te vertonen. Alles wat van buitenaf komt dringt ongehinderd naar binnen.
  • Communicatie: de taal van stervenden kan een boodschap inhouden. De non-verbale communicatie spreekt soms boekdelen. Zelfs zonder bewegingen kunnen ouderen, dementerenden en stervenden in dat laatste proces zonder woorden iets zeggen.
  • De dubbelganger: kort voor het levenseinde verschijnt en verdwijnt dit wezen, dat alles wat met onze schaduwzijde te maken heeft, in zich verzamelde. Het kan het allerlaatste stukje van het leven niet meemaken. Wanneer de dubbelganger iemand verlaten heeft, ziet de toekomst er plotseling rooskleurig uit, ziet de stervende er als bevrijd, als verlost uit. Er is alleen vrede.
  • Verlies: alles wat met de weg naar het sterven te maken heeft, is verbonden met verlies van datgene wat je fysiek en in je levenskrachten verbindt met de aarde en wat je in de zielekrachten verbindt met de maatschappij om je heen. Niets van wat wij hebben gaat mee door de poort van de dood, alleen wat wij zijn.
  • Winst: wat voor de aardse wereld een verlies is, betekent echter voor de ander kant winst. We hebben daarvoor de inzichten van een geschoolde helderziende nodig, om te begrijpen wat er in werkelijkheid gebeurt.
  • Verzorgen: de stervende vrijlaten, weinig meer aanraken. Eerst kijken, voordat je iemand verzorgt, stoor hem niet in zijn proces. Maar wel de zorg geven die nodig is – zoek de middenweg.

 

Vingeroefeningen voor de toekomst – hoe bereid ik me voor?
  • Bewust afstand doen van je verworvenheden. (Lijkwaden worden zonder zakken genaaid.) Je moet alles afleggen vóór je door het oog van de naald gaat. Wat kun je doen om willens en wetens arm te worden op die weg, om niet alleen de laatste belevenissen, maar ook de eerste ‘bestervenissen’ bewust door te maken?
  • Verwachtingsvol leven: de belangrijkste opgave in deze periode is verwachtingsvol leven, als een kind dat zich verheugt op de kerstboom achter de deur. Ieder ogenblik kan mij iets nieuws schenken, ook in de armoede, ook in de ontbering (Steiner).
  • Liefde op het laatste gezicht: nog één keer kijken naar de mensen die je dierbaar zijn, maar ook naar hen die je niet dierbaar zijn. Als het de laatste keer is, zien ze er misschien anders uit (Steiner).
  • Leren loslaten: waarom is dat zo moeilijk? Loslaten begint eigenlijk al vóór de geboorte: je moet de zielenwereld, de baarmoeder verlaten. Nu komt het loslaten van schuldgevoelens, van dierbaren, van verworvenheden.
  • Leren vergeven: met een daad van vergeving wordt ons beider last, die op onze schouders rust, lichter. Daarom is het zo ongelooflijk belangrijk om tijdens het leven, nu, die daad van wat iemand anders mij heeft aangedaan te vergeven, omdat het na de dood niet meer kan.
  • Leren overzien: oefening door terugblik op de dag, in omgekeerde volgorde. Jezelf een termijn stellen (5 a 10 minuten). Het zoeken naar de rode draad in je leven,Het bespreken en zo mogelijk afronden van onafgemaakte zaken.Het bespreken van het naderende sterven en de ritualen van de Christengemeenschap, zoals het lezen van Johannes 17 en het waken bij de gestorvenen.

Broederschap tussen levenden en gestorvenen
Bastiaan Baan

Bastiaan Baan

schilderij Mieke Fielmich

Verbondenheid met gestorvenen is in deze tijd een vraag, in vroegere culturen was het een vanzelfsprekendheid. Tot ongeveer twee eeuwen geleden waren samenlevingen verbonden met gestorvenen. Dit contact was een doorslaggevende cultuurfactor. Dat is te zien in de zogeheten dodenboeken uit Egypte en uit Tibet, in de voorouderverering en aan cultuurgoed dat we in musea kunnen bekijken, zoals mummies.
Nu is het geen cultuurfactor meer. Voor het eerst staan de gestorvenen in de kou, collectief. Men doet alsof ze er niet meer zijn, men sluit ze buiten.  Ik mag op deze bijzondere plaats een lezing houden, een plek waar wel een bewustzijn van en een cultuur voor de gestorvenen is. Hier is zorg voor stervenden en gestorvenen. Ik koester een stille hoop dat er in deze constellatie aan verder gewerkt kan worden.

We kunnen ons afvragen hoe we dat dan doen, broederschap met gestorvenen cultiveren? En hoe zij dat doen? Is er verschil tussen pas-gestorvenen en degenen die zijn thuisgekomen in die andere wereld?  Al vanouds werd de sterfdag ‘dies natalis’ genoemd, de ‘geboorte-dag’. De pasgestorvene is als een pasgeboren baby. Kort voor zijn onverwachte sterven schreef een vijftienjarige een gedicht:

Twee geweven handen
ontvouwen zich als twee vleugels.
Een onverklaarbaar licht.
Vreugdekreten, ongehoord:
ongeboren wezen.
Afgezonderd mens zijn,
hulpeloos geplant.

Er spreekt een aanvoelen uit van wat er stond te gebeuren.

Een pasgestorvene is met al zijn vezels verbonden met ieder die in zijn leven, zowel ten goede als ten kwade, een rol speelde. De gestorvenen kunnen in de eerste tijd na hun overlijden over de schouder meekijken, signalen geven.

Een collega had geldzorgen en was van plan zijn viool te verkopen om brood op de plank te krijgen. ’s Nachts stond zijn pasgestorven vader voor hem en zei op zijn karakteristieke wijze: ‘Je laat het!’. Een dag later kwam er uitkomst in de financiële problemen. De gestorvene stuurde bij vanuit een ander inzicht in de situatie.  Dit duurt een ‘gestorvenen-jaar’, een periode van verbonden-zijn bij de gratie van het terugkijken op het eigen leven. Als de gestorvene dat voorbije leven heeft kunnen loslaten kan hij naar een ander gebied opstijgen.

Voor recent gestorvenen is het aanknopingspunt het lief en leed wat gedeeld is, uit het dagelijks leven gegrepen. Dit kan gebeuren vanuit een aantrekkingskracht, zowel vanuit een liefde-relatie, als vanuit de hindernissen die je samen had. Herbert Hahn, een jonge leraar op de eerste Vrije School in Stuttgart, kwam bij Rudolf Steiner n.a.v. ervaringen met zijn overleden vader. De herinnering hoe zijn vader hem op zijn 15een zakhorloge had gegeven vormde de verbinding. Rudolf Steiner zei: ‘Juist door sterk gekleurde ervaringen kan contact ontstaan. De gestorvene schildert vanuit de andere zijde mee.’  Op dit gebied zouden we  als het ware expressionisten moeten worden.

Hoe concreter de verbinding bij leven was, des te concreter de verbinding na het sterven kan worden. We kunnen dicht bij huis beginnen.  Een werkster vertelde hoe zij na het sterven van haar stiefvader met hem omging. Aan het einde van de dag nam ze zijn foto en praatte tegen hem. ‘Dag stief, hoe gaat het nu met jou? Weet je nog van toen en toen?’ Nadat ze enkele herinneringen had opgehaald,vertelde ze hoe het met haar ging. Ze droomde elke nacht dat ze een berg op klom, naar een kasteel. Ze wandelde naar binnen en kwam in de eerste zaal, waar mensen zaten die als van was leken. In de tweede zaal was het leeg. In de derde zaal vond zij haar stiefvader, springlevend. ‘Je bent toch dood?’ ‘Nee, waar ik ben, bestaat de dood niet’. Dan aten en dronken ze samen. Zo ontstond een onbekommerd zoeken, vanuit kleurige, levendige herinneringen.

Rudolf Steiner zei: ‘Wat ons na aan het hart lag, kleurt de gedachte zo, dat het op het moment van inslapen naar de overledene toestroomt’. Dat vraagt om een actieve ontvankelijkheid, zonder vooroordeel. Zowel activiteit als ontvankelijkheid zijn nodig om een begin te maken, in een pendelslag tussen nabijheid en distantie.

Friedrich Rittelmeyer droomde een paar jaar na de dood van Rudof Steiner, dat hij in een tunnel aan het hakken was met een hamer. Dan hoort hij vanaf de andere kant ook kloppen. Steiner spreekt: ‘Volhouden, Rittelmeyer, ik kom van de andere kant‘.

De ontvankelijke zijde kunnen we herkennen bij de predikant J.F.Oberlin (1740-1826), die in de woestenij van het ‘Steintal’ in de Vogezen een gemeente probeerde op te bouwen. Zijn werk is ondenkbaar zonder zijn ‘Geistes-Ehe’. Hij is 16 jaar lang gelukkig getrouwd, als zijn vrouw bij de geboorte van hun negende kind een voorgevoel heeft en afscheid van hem neemt. Hij is vertwijfeld als zij een paar dagen later sterft. In die opengebroken stemming hoort hij na negen dagen: ‘Ik zal om je heen zijn’. Dit was het begin van een geestelijk huwelijk van negen jaar. Iedere nacht om drie uur, op een vast tijdstip, wekt ze hem, door zijn pink aan te raken. Negen jaar lang duurt deze intensieve verbinding. Overdag is hij heel praktisch bezig, helpt aardappelvelden te ontginnen, bomen te planten, straten aan te leggen. ’s Nachts houdt hij in dagboeken bij hoe de wegen zijn van gestorven gemeenteleden. Een burger van twee werelden. Na negen jaar bemerkt hij een veel grotere distantie tot haar. Is zijn vrouw in een andere fase beland? Rudolf Steiner zegt hierover: ‘Na een geest-jaar – dat is de tijd die een gestorvene in het zielenrijk moet doorbrengen – wordt de verbinding die er tot dan toe bestond met de zielenwereld tot een verbinding met de geest-wereld’.

Als ons leven 90 jaar heeft geduurd, zal de periode in het zielenrijk, het kamaloka, ongebeer 30 jaar duren. De gestorvene wordt wijs, zijn zieleroerselen spelen geen rol meer, het zielelichaam wordt afgelegd. Alleen het eigenlijke wezen blijft voortbestaan. Concrete aanknopingspunten uit het voorbije leven werken nu niet meer. De gestorvene heeft ander voedsel nodig. In deze fase doet het er niet meer toe of degene die contact zoekt een bekende is. Het contact hangt ervan af of ik in staat ben mij onzelfzuchtig in het leven van de ander te verplaatsen.

Doorslaggevend lijkt dat we kunnen aanleunen tegen gestorvenen die inmiddels wijs zijn geworden. Hun inzichten hebben we nodig om houdbare besluiten te nemen. Als we zo de verbinding cultiveren kan dat heel productief zijn. We kunnen gestorvenen helpen door het voorlezen van spirituele gedachten, doorvoeld door kleurige gevoelens, die voor hen voedend zijn. Onze tijd is vermoedelijk de eerste waarin de gestorvenen aan lege tafels zitten. Nodig is het voortzetten van hun impulsen op aarde. Rudolf Steiner zei:’ Iedere nacht zijn ze om ons heen, maar wat vinden ze? Huis-tuin-en-keuken-zaken, een akker met distels en doornen. Wij kunnen voor hen een tafel dekken door hen onze geestelijke gedachten te sturen’.

De verbinding met één enkele gestorvene kan soms grote gevolgen hebben. Een voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog, dat zijn oorsprong heeft in de Eerste Wereldoorlog: een Engelse officier, Wellesley Tudor Pole, vecht in de eerste wereldoorlog, in de omgeving van Jeruzalem. Hij heeft een gesprek met zijn strijdmakker. Die zegt tegen hem: ‘Ik zal morgen sterven. Jij blijft in leven en zult een nog grotere oorlog meemaken. Wanneer die tijd komt, denk dan aan ons. Geef ons de mogelijkheid mee te werken. Geef ons iedere dag een ogenblik stilte. De macht van het zwijgen is sterker dan jullie denken. Vergeet ons niet, wanneer die oorlog komt’. Tudor Pole overleeft de oorlog  en gaat terug naar Engeland. Als in 1940 de oorlog uitbreekt komt deze vraag van zijn gestorven strijdmakker hem in herinnering. Hij legt contact met mensen die leiding geven en vertelt zijn verhaal.  Vanaf 26 mei 1940 wordt er bij koninklijk besluit iedere dag om negen uur ’s avonds een minuut stilte gehouden om de doden te herdenken. Drie dagen daarna gebeurt het ‘wonder van Duinkerken’. Een Engels leger van 250.000 man dreigt aan de kust in Frankrijk door de Duitsers ingesloten te worden. Er komt nevel opzetten. Beschermd door de nevel en bij gunstige wind en rustig weer kan dit leger de oversteek over het Kanaal maken. De mensen in het Britse rijk voelen: in die ‘silent minute’ is iets gebeurd. Dat raakt ook de Duitsers. Na de oorlog horen de Engelsen van een veroordeelde Duitse bevelhebber: ‘U had een geheim wapen, dat we niet begrepen. Dat had te maken met het luiden van de klok om negen uur ’s avonds’.
De ‘Big Ben silent minute’ werd 21 jaar lang  elke dag in acht genomen. Van iets wat begon tussen twee mensen kon er regionaal, landelijk en wereldwijd iets groeien van groot belang.

Michael Bauer zei op de avond voordat hij stierf:

‘Wanneer het mogelijk zou zijn, dat de levenden niet meer aan de gestorvenen zouden denken, en wanneer de gestorvenen niet meer aan de geliefde levenden zouden denken, dan zou alle liefde ophouden te bestaan. Maar dat is immers niet mogelijk’.

Geestelijke liefde vormt een brug. Dat is een hoopvol perspectief voor iedereen en voor alle problemen waarvoor we in de wereld staan.

 

Dit is een verslag van een lezing gehouden in Huize Valckenbosch in Zeist.

De dood van mijn grootmoeder

Geplaatst in: inspiratie | 0

Al vanaf het moment dat mijn grootmoeder 80 was, lag in de kast alles klaar “voor als ik overleden ben”. Toch moest zij daar toen nog 13 jaar op wachten, tot een los kleedje op het linoleum maakte dat zij uitgleed, haar heup brak en aan de gevolgen van de operatie stierf. In het ziekenhuis zuchtte zij tegen mij: “dat ze nog zoveel met een mens omhannesen zo vlak voor zijn dood!” Op het kerkhof wilde mijn neef haar nog zien en dus werd de deksel van de kist getild, waarop ook ik nog een laatste blik op haar wierp. En ik weet nog hoe ik bijna schrok: daar lag geen 93-jarige, maar een jong meisje van een jaar of achttien!

Innerlijke ontwikkeling en kanker

Matthias Girke

Kanker als ziekte is vaak met beslissende stappen in de innerlijke ontwikkeling verbonden, zowel bij de zieke als bij zijn omgeving. Al langer geleden heeft Elisabeth Kübler-Ross in haar zog. stervensfasen gewezen op karakteristieke ontwikkelingen in de innerlijke uiteenzetting met de ziekte. (1) Deze treden niet alleen op bij doodzieke patiënten, maar, op een vergelijkbare manier, ook bij iedere andere zware ziekte, bij belastende gebeurtenissen en biografische beproevingen van het lot. Deze stervensfasen wijzen op ervaringen in de psychische binnenwereld van de mens, waaraan een verborgen geestelijke werkelijkheid ten grondslag ligt die in verband staat met stappen in de ontwikkeling en rijpings-processen van de individualiteit. In samenhang met de lichamelijke ziekte ontwikkelen zich rijpingsprocessen in deziel, die leiden tot stappen in de geestelijke ontwikkeling.

  1. Weten dat je ziek bent

Kanker wordt vaak geconstateerd op een moment dat de betrokkene nog nauwelijks last heeft van symptomen en zich gezond voelt. Alleen uiterlijke resultaten van het onderzoek zoals de verhoogde PSA-waarde, de verdachte mammografie-uitslag of de coloscopisch vastgestelde darmtumor wijzen op de ziekte. Het gaat om een stadium waarin het onderzoeksresultaat van de ziekte op de voorgrond staat. De patiënt en de arts kijken met een vreemd aandoende objectiviteit naar de resultaten van de beeldvormende en histologische diagnostiek. In deze fase van de ziekte ontstaat in de ziel de tendens om de ziekte te beschouwen als iets wat niet bij je hoort en haar te ontkennen. Ontkennen, het niet willen toegeven dat je ziek bent, zijn uitdrukking van vrees en angst die de ziekte afwijzen en de patiënt willen terugbrengen in zijn  gewone leven waarin hij amper merkte ziek te zijn.

2.  Het beleven van de ziekte

Deze eerste ontkenningsfase van inherente angst voor de ziekte verandert op slag, wanneer de ziekte niet langer alleen maar ‘geweten’ wordt, maar werkelijk ervaren wordt. De uitslag van het onderzoek van de net geconstateerde ziekte heeft aanvankelijk iets statisch; in de volgende fase komt de eigenlijke aard van de ziekte tevoorschijn in de progressie van de ziekte, in slechtere onderzoeksuitslagen. Tegenover dit beleven van het ziekteproces ontwikkelt zich in de innerlijke uiteenzetting met de ziekte de fase van het ‘vechten’. De voortschrijdende ziekte kan niet meer ontkend worden, de dynamiek ervan vraagt om een ‘strijd’ met de ziekte. Er worden in deze fase veel strategieën bedacht en ook in allerlei vormen aangeboden, die zich tegen de ziekte richten. Toch merken mensen met kanker vaak dat deze ziekte enerzijds een dreigend, vijandig karakter heeft, maar aan de andere kant ook bij hun leven en hun persoonlijkheid hoort. ‘Waarom zou ik tegen mezelf vechten?’ laat dit dubbele aspect zien. Aan de basis van deze fase van vechten tegen de ziekte ligt diep in de ziel een ‘haat’ tegen de ziekte.

3.   Het lijden aan de ziekte

In een derde fase staat niet meer het weten ziek te zijn of het zich fysiek manifesteren van de ziekte op de voorgrond, maar het psychisch lijden dat de ziekte oproept. Terwijl in de eerste fase de fysieke ziekte-bevinding in het beleven nog ver van de ziel afstond, en daarna het ziekteproces al dichterbij kwam, bereikt het lijden aan de ziekte met de verschillende lichamelijke en psychische klachten nu het innerlijk van de patiënt. De ziekte valt niet meer te ontkennen, ook lijkt het onzeker of de ziekte wel door ‘vechten’ bedwongen kan worden. Het gaat nu om een ‘onderhandelen’, om een overeenkomst om tot een soort coëxistentie te komen. Aan de basis van deze innerlijke uiteenzetting met de psychische dimensie van de ziekte ligt een diepe twijfel aan de nog gehoopte kans op genezing

4.   Zieleduisternis

Uiteindelijk brengt het voortschrijden van de ziekte de mens vaak in een stemming van uitzichtsloosheid en depressie. Er ontwikkelt zich een innerlijke duisternis. Tegelijk is deze fase van de ziekte ook een periode van eenzaamheid. Vele mensen om de zieke heen hebben zich misschien teruggetrokken, omdat het zwaar is om de lijdende patiënt op de oude vertrouwde manier te ontmoeten. Het is ook lastig om in de totaal andere levenssituatie een nieuwe manier te vinden om met elkaar om te gaan. Vaak komen nieuwe mensen in beeld rond de zieke. Ook kan de kring van vertrouwde mensen om de patiënt heen zich innerlijk aanpassen en nieuwe kwaliteiten in de ontmoeting ervaren, die zich onderscheiden van de vertrouwde manier van met elkaar omgaan. In deze fase van duisternis en eenzaamheid ontstaat de vraag naar het ware, onverwoestbare wezen van de mens, naar zijn individualtieti, zijn ik. Er kan een diep weten van deze wezenlijke geestelijke laag in jezelf ontstaan. Vaak vertellen patiënten dat ze een innerlijke gezondheid beleven, die in uiterst scherp contrast staat met hun zichtbaar zieke lichaam. Vanuit deze innerlijke ervaring wordt nogal eens een perspectief ontwikkeld, zoals het oppakken van een studie of andere ingrijpende veranderingen in het uiterlijke leven, dat onwerkelijk en bizar overkomt op de  hiermee  niet vertrouwde omgeving van de patiënt. Dat wat van binnen wordt ervaren – een patiënte zei eens: ‘Ook als ik sterf ben ik toch genezen’ –  laat ontwikkelingen in de persoonlijheid en de ik-ontwikkeling zien. Het wijst op het geestelijk wezen van de mens dat vrij is van ziekte en in die zin ook gezond. De aansporing ‘Ken uzelf’ leeft als een ontwikkelingsmotief in het lot dat de ziekte meebrengt, niet als theoretische zelfreflectie, maar als ontwikkeling en geboorte van het ik-wezen.

5.   Zich oprichten

Zo kun je momenten herkennen waarin de ernstig zieke mens zich begint op te richten, ondanks de ervaring van zieleduisternis en uitzichtsloosheid. Daarbij gaat het om een proces dat voor ieder mens in moeilijk te verwerken levenssituaties een opgave en een uitdaging vormt, overigens ook voor gezonde mensen. Rudolf Steiner noemt deze beproeving de ‘vuurproef’. Bij moeilijke gebeurtenissen in het leven, als alle steun wegvalt en ‘verbrandt’, ziet  de mens zichzelf vaak ‘voor het niets’ staan, er is geen enkel perspectief meer. Alle innerlijke zekerheid, die we aan uiterlijke omstandigheden zoals beroep, positie, gezondheid, erkenning e.d. ontlenen, verdwijnt in deze positie. Er komt een duisternis zonder enig perspectief voor in de plaats, een zwart gat. Als het dan lukt om je uit deze situatie op te richten en nieuwe moed te scheppen, dan lukt het de mens de vele kleine vuurproeven te doorstaan, die een weerspiegeling vormen van de grote vuurproef op de kennis- en inzichtsweg van de mens. “Voor heel wat mensen is het gewone leven zelf al een min of meer bewust inwijdingsproces door de vuurproef. Dat zijn degenen, die zo door vele ervaringen heengaan, dat hun zelfvertrouwen, hun moed en hun standvastigheid op een gezonde manier toenemen en dat ze  leed, teleurstelling, mislukking van iets wat ze ondernomen hadden met zielegrootheid en vooral met rust en ongebroken kracht leren verdragen. Wie op deze manier ervaringen heeft doorgemaakt, die is vaak al, zonder het te weten, een ingewijde; en er is dan nog maar weinig voor nodig om zijn geestelijke ogen en oren te openen, zodat hij helderziende wordt”.(2)

Door de vuurproef verdwijnt al het uiterlijke van de menselijke persoonlijkheid. Al wat afhankelijk is van status en rol valt ten prooi aan de ‘vlammen’ van deze levenssituatie. In plaats daarvan ontwikkelt zich steeds duidelijker herkenbaar de eigenlijke kern van de persoonlijkheid, het geestelijke zelf. Het is op deze weg een grote hulp als zich bezig te houden met basale dingen, zoals het onderscheiden van wat wezenlijk en onwezenlijk is in het leven, het onderscheiden van het vergankelijke en het eeuwige, en met gezichtspunten rond het geestelijke wezen van de mens en zijn levenslot. Als mensen met kanker tijdens de schildertherapie bij thema’s uitkomen die zich niet richten op de lichamelijke dimensie van hun ziekte of op de zielewereld met haar verdriet, maar op het geestelijke perspectief, dan ontstaan in het schilderen motieven (bijv. uit de sprookjes van Grimm) die met het onvergankelijke wezen van de mens in verband staan. We kunnen daarbij gadeslaan hoe door het kunstzinnige proces theoretische voorstellingen en overtuigingen over het lot en het mensenwezen een diepe ervarings-dimensie en werkelijkheid krijgen, die innerlijke, gezondmakende krachten wekt. Er worden inhouden verwerkt en ‘geschapen’, waarvan de patiënt weet dat ze waar zijn en waar hij in kan ‘geloven’.  De sterkste bron voor de geloofskrachten van de mens is het kennen, het inzien (3). Gewoonlijk staan weten en geloven zo in tegenstelling tot elkaar, dat het geloven begint waar het weten ophoudt. Maar nu verbinden geloven en weten zich met elkaar, doordat de geloofskrachten van de ziel ontluiken aan het door inzicht gewonnen weten. Op deze manier is het geloof een basiskracht in de ziel, die zekerheid schept ook voor die dingen die niet dagelijks of op ieder moment opnieuw tot inzicht gebracht worden. De geloofskracht van de mens werkt op deze manier gezondmakend op de menselijke ziel en het astrale organisme, hij geneest kwetsuren en wonden die door het lijden aan de ziekte ontstaan en helpt om in de verborgen diepten van het astraallichaam van de mens het geestzelf (4) te ontwikkelen. Kennis en inzicht dienen niet meer ter verkrijging van informatie, van weten. Inzicht krijgt een helende kwaliteit, wordt tot helende, heilige Geest.

6.   Het vinden van een weg

Op de momenten van het zich oprichten, die op de weg door de ziekte heen voorkomen en die ook ontstaan als de ziekte nog in dit aardeleven overwonnen kan worden, volgt nòg een kwaliteit. Het gaat hier om het ‘vinden van een weg’ na dit opstaan, als de individualiteit zich uit de zieleduisternis opricht. In de eerste periode waarin een mens zich uiteen te zetten heeft met kanker ontstaat vaak onzekerheid en angst; men zoekt steun bij wat de artsen aanbevelen. Vaak leidt dit tot vormen van therapie die de patiënt aan zich laat gebeuren omdat de arts ze heeft aanbevolen, hoewel hij niet volledig achter deze therapie kan staan, doordat hij de zin en de draagwijdte ervan niet kan overzien. In het verdere verloop van de ziekte treedt hierin een wezenlijke verandering op. Tegenover de competentie van de arts die informatie geeft, ontwikkelt zich de ervarings-competentie van de patiënt. Vanuit een asymmetrische relatie tussen de patiënt en zijn arts (5) ontstaat een nieuwe cultuur van elkaar ontmoeten, waarbij de patiënt gelijkberechtigd in de relatie komt te staan. Op grond van de ervaringen van de patiënt ontwikkelen zich steeds duidelijker bepaalde voorkeuren, doelstellingen en waardebepalingen inzake mogelijke vormen van therapie. Vaak kunnen die niet oorzakelijk worden afgeleid, maar ze kunnen toch als authentiek en behorend bij deze specifieke patiënt worden ervaren. Het is een soort gezond ‘aanvoelen’ van wat therapeutisch mogelijk ‘juist’ of ‘goed’ zou kunnen zijn. Aan deze ‘instincten’ ligt een bijzondere geestelijke werkelijkheid ten grondslag. Aan het ervaren van de klachten en het lijden dat de ziekte met zich meebrengt, ontworstelt zich een innerlijke zekerheid rond het herstel. Naarmate de patiënt de symptomen van de ziekte ervaart, des te meer kan, als in een soort pendelslag, het weten over herstel ontstaan. Volgens de beschrijving van Rudolf Steiner komt, na het aardse lot van het doormaken van deze ziekte, in het leven na de dood de ervaring gezond geworden te zijn. (6) In het ‘aanvoelen van de juiste weg’ verschijnt al tijdens het doormaken van de ziekte deze ervaring, te weten hoe je gezond kunt worden, als een oerbeeld van de genezingsprocessen. De arts heeft een speciale oplettendheid nodig voor deze motieven en moet ze ook onderscheiden van vertekende vormen ervan.

Het winnen van nieuwe grond onder de voeten, nu de oude, gewone levenszekerheid niet meer kan dragen, is een wezenlijk motief van de zog. ‘waterproef’. Als de grondvesten van ons zijn ons niet meer dragen, maar a.h.w. ‘water-achtig’ worden, moet een nieuwe bodem gevonden worden. In het alledaagse leven staan we niet alleen voortdurend voor de uitdagingen van de vuurproef, maar net zo goed voor die van de waterproef. Nieuwe grondslagen, doelstellingen en het aanvoelen van mogelijke richtingen moeten tot een stabiele basis worden: “Men noemt de proef de waterproef, omdat de mens bij de activiteit in deze hogere gebieden de steun van de uiterlijke verhoudingen ontbeert, net zoals bij bewegen in het water waarbij je geen grond voelt, deze steun ontbreekt… Wie zich de vaardigheid heeft verworven om hoge principes en idealen te volgen zonder daarbij te denken aan de persoonlijke stemming en willekeur, wie de kunst verstaat om zijn plicht te vervullen ook wanneer neigingen en sympathieën maar al te graag van deze plicht zouden willen afwijken, die is onbewust al midden in het gewone leven een ingewijde”.(7)

Het ‘vinden van een weg’, dat kan volgen op het zich oprichten uit de ziele-duisternis, heeft niet alleen persoonlijke consequenties voor de patiënt zelf, het werkt ook doorslaggevend op de de mensen om hem heen. Bij een ziekte, met al het lijden dat dit met zich meebrengt, gaat het niet alleen om het persoonlijke lot van de zieke, maar ook om het lot van de mensen die om de patiënt heen staan. Hoeveel lijden, hoeveel dat nauwelijks te dragen is,  wordt er niet doorgemaakt door de mensen die hun ernstig zieke dierbare verzorgen en begeleiden. In deze menselijke verhoudingen kan nu een wezenlijke verandering optreden. De patiënt beleeft dikwijls, door het hervinden van zijn weg, een diepe dankbaarheid, die zich ook richt op allen die hem in deze fase trouw met helpende hand bijstaan. Als de intensief beleefde twijfel zich nu, met het zich oprichten uit de zieleduisternis, omvormt in een nieuwe innerlijke zekerheid, dan ontstaat uit het ‘haten’ van de ziekte nu empathie en het vermogen lief te hebben. Het komt niet meer aan op de‘strijdvaardige’ aanpak van de ziekte, met het doel haar te overwinnen, maar het gaat nu om de omvorming ervan. Menselijke ontmoetingen worden in deze fase tot een geschenk, en veranderen de verhouding met de arts ingrijpend.  Zo kan deze zich zelfs verdichten tot een soort vriendschap.

Vanuit de zich vaak voordoende positieve liefdevolle en dankbare stemming van de patiënt, die ontstaat omdat hij zijn weg ‘ziet’, gaat een genezende invloed uit op zijn levenskrachten. Verdriet, zorgen en haat verzwakken het etherisch organisme, terwijl zielewarmte en het vermogen lief te hebben sterkend en genezend op dit organisme inwerken. De patiënt lijkt in zijn voelen minder op zichzelf gericht en egocentrisch te worden, er ontwikkelt zich een schenkend gebaar, waarin de grootheid en het unieke van deze mens herkenbaar kunnen worden. In een beeld gevat: vanuit een bewolkt, smartelijk en verdrietig, naar binnen gewend gevoelsleven ontwikkelt zich een zonnig stralende kwaliteit. In de diepte van deze veranderingen leeft, als haar eigenlijke werkelijkheid, een christelijke kwaliteit: het licht en de warmte van de Christus-zon. In deze omvorming van het voelen,  dat zich nu vanuit de alledaagse betrekkingen kan wenden naar het geestelijke en onvergankelijke, wordt een nieuwe kwaliteit van het geestelijke wezen geboren. Rudolf Steiner noemt dit ‘Levensgeest’ (8).

7.   Het vinden van betekenis (zin) in de ziekte

Aansluitend aan het zich oprichten en het vinden van een weg kan een belangrijke verdere stap in de ontwikkeling bereikt worden. Het gaat er daarbij om een vermoeden te krijgen van een doel van de ziekte. Het weten ‘dat alles betekenis heeft’ blijkt al snel niet genoeg kracht te hebben. Het gaat er hier eerder om, actief betekenis – zin – te gaan ervaren tijdens de fase van ziekte en die moedig onder ogen te zien. Vanuit geestelijke wakkerheid kan perspectief, kan kracht ontstaan. Ook hier kent het dagelijks leven situaties, waarin er geen prikkel van buitenaf, geen uiterlijk doel is, en waarin het aankomt op nieuwe besluiten, geboren uit geestelijk aanwezig-zijn: “Bij deze derde proef wordt hem voelend geen doel beleefbaar. Alles is in zijn eigen hand gelegd. Hij bevindt zich in een positie waarin niets aanleiding vormt om te handelen. Hij moet helemaal alleen, vanuit zichzelf, zijn weg vinden. […] Personen die zover zijn gekomen, dat ze, plotseling voor een levensopgave staande waarin ze snel moeten beslissen, dat ook kunnen zonder veel te hoeven nadenken, voor hen is het leven een dergelijke scholing. […] Wie snel bij de hand is om in te grijpen wanneer een ongeluk dreigt, terwijl door aarzeling het ongeluk al zou zijn gebeurd, en wie een dergelijke besluitvaardigheid tot een blijvende eigenschap heeft gemaakt, die heeft onbewust de rijpheid voor de derde ‘proef’  bereikt”.(7, blz.85)

De patiënt merkt hoe zich vanuit de ziekte nieuwe vaardigheden ontwikkelen. Het ontwikkelen van vaardigheden verloopt in biografische ritmes. Zo worden de eerste levensjaren van een kind gekenmerkt door een verbazingwekkende veelzijdigheid in het verwerven van de uiteenlopendste vaardigheden. De tijd aan het einde van het leven lijkt op een heel ander niveau een dergelijke intensivering en verdichting van vaardigheden met zich mee te brengen. Menselijke relaties vertonen juist in deze tijd een rijping die verwondering wekt. Onder gezonde omstandigheden had het zeker jaren gekost om samen zover te komen. Op dezelfde manier kunnen innerlijke kwaliteiten groeien en ook zichtbaar worden, op de momenten dat niet de schaduwwezens, die ieder mens begeleiden, de overhand hebben. Het gaat om een tijd van jezelf-worden, van rijping en zaadvorming. Juist tegen deze achtergrond valt een wezenlijk licht op euthanasie – een tragische ontwikkeling in de verkeerde richting.

Wanneer men een vermoeden begint te krijgen van de zin van de ziekte, ontstaat er hoop en een positieve oriëntatie op de toekomst. Dat heeft niet te maken met een terugkeer naar het verleden, in de betekenis van: ‘hopelijk wordt het allemaal weer net zo goed als vroeger’. De ziekte wordt niet herleid naar de tijd dat de patiënt nog gezond was, het gaat nu om het toekomstige resultaat, de opbrengst van ziekte. Dat is niet alleen van enorme betekenis voor doodzieke patiënten, maar ook voor die patiënten die door zware, belastende fasen zijn heengegaan en nu op weg zijn naar genezing. Zo ontmoet je als arts steeds weer patiënten bij wie het genezingsproces verrassend goed verloopt, patiënten die, door alles wat ze hebben beleefd bij het doormaken van de ziekte, deze innerlijke vaardigheden konden ontwikkelen. Hoop is een wezenlijke basiskracht in de ziel, die, net zoals dit is beschreven voor het geloof en de liefde, genezend kan werken tot op het niveau van het fysieke organisme. Therapeutisch gezien ervaren we vaak, dat gevoelens van hopeloosheid het uiterlijke ziekteverloop dramatisch negatief kunnen beïnvloeden. Daarom moet de grondhouding van een dokter zijn bij een patiënt nooit de hoop weg te nemen.

De genezende krachten van de hoop bereiken het niveau van het fysieke lichaam. In zijn volmaaktheid en wijsheidsvolle bouw is dit lichaam geen mensenwerk. Het stamt uit de goddelijk-geestelijke wereld. Trinitarisch beschouwd, voegt zich bij de Heilige Geest in de fase van het zich oprichten en bij de nabijheid van Christus bij het vinden van een weg nu de kwaliteit van de Vader-god.

Zo komt enerzijds in deze zeven fasen het eigenlijke geestelijke wezen tot ontwikkeling, diep binnenin de mens. Juist kanker als ziekte stelt op een bijzondere manier deze vraag naar het eigen, onveranderlijke wezen. Anderzijds ontwikkelen zich door deze fasen heen genezende kwaliteiten, die het herstel in het astrale, etherische en fysieke organisme krachtig ondersteunen. De innerlijke ontwikkelingsweg van de mens en de genezende krachten voor zijn lichamelijke omhullingen – de salutogenese – hangen nauw samen.

Samenvatting

Ziekte is verbonden met stadia van innerlijke ontwikkeling van de mens. De mens gaat daarbij door verschillende fasen van worsteling met de ziekte. De hier beschreven zeven fasen vormen geen ‘intellectuele’ verwerking van de ziekte, ze verwijzen naar innerlijke stappen in de ontwikkeling, die samenhangen met de ontplooiing van de individualiteit, het geestelijk wezen van de mens. Vanuit het lijden dat de ziekte met zich meebrengt, vanuit de duisternis en de hopeloosheid kan het onvergankelijke geestelijke wezen tevoorschijn komen. Deze geleidelijke ontwikkeling is niet alleen belangrijk voor de innerlijke psychische en geestelijke groei van de patiënt; hij kan ook een genezend effect hebben op de lichamelijke organisatie. Innerlijke ontwikkeling en gezondheid, inzicht en genezing hangen met elkaar samen en zijn van essentieel belang is bij de begeleiding van patiënten. De patiënt helpen om zich te verbinden met deze innerlijke aspecten is daarom niet een manier om de onvermijdelijke eindigheid van de ziekte te verwerken, maar het draagt bij aan de ontwikkeling van de mens en van zijn genezing in de breedste zin van het woord.

Dr. med. Matthias Girke,  Gemeinschaftskrankenhaus Havelhöhe, Kladowerdamm 221, D-14089 Berlin

Bron: Der Merkurstab – Zeitschrift für Anthroposophische Medizin, Heft 4, 2009

Literatuur:

  1. Kübler-Ross, E. ‘Lessen voor levenden’ – gesprekken met stervenden, ed. 2013 ISBN 97 890 2631 9648
  2. Steiner, R. De weg tot inzicht in hogere werelden. GA 10, ISBN 97 890 6038 5012
  3. Steiner, R. Geloof, hoop, liefde. Uit GA 140
  4. Steiner, R. Theosofie. GA 9, ISBN 97 890 6039 648
  5. Girke, M. Die Arzt-Patient-Beziehung. Der Merkurstab, 2007; 89 (6) 501-515
  6. Steiner, R. Inneres Wesen des Menschen und Leben zwischen Tod und neuer Geburt. GA 153
  7. Steiner, R. De weg tot inzicht in hogere werelden. GA 10, ISBN 97 890 603 85012
  8. Steiner, R. Ursprung und Ziel des Menschen. GA 53
1 2 3