Rudolf Steiner over gestorvenen voorlezen

Rudolf Steiner bracht vaak ter sprake hoe nabestaanden de band met hun overledenen kunnen verzorgen en levend houden. Met name in de periode 1914 – 1918 zaten er in zijn publiek veel mensen die familieleden hadden verloren aan de onvoorstelbare oorlogsomstandigheden. In die bewogen periode sprak hij aan het begin en slot van voordrachten steeds een spreuk voor gestorvenen uit (zie pagina 6, eerste spreuk), om hen te troosten en te betrekken bij wat hij wilde overbrengen.
Daarnaast benadrukte hij dat gestorvenen ons gedachten en impulsen kunnen geven. Gestorvenen kunnen overzien wat het beste zou kunnen worden nagestreefd. We kunnen hen ook betrekken bij de vragen waar we mee leven. De momenten van inslapen en wakker worden zijn daar bij uitstek voor geschikt.

Wanneer ter sprake komt wat men zou kunnen doen voor dierbare gestorvenen geeft Steiner op uiteenlopende wijze mogelijkheden aan, waarbij bijna altijd het ‘voorlezen’ aan de orde komt. Daarbij spreekt hij soms over letterlijk voorlezen, maar op andere momenten over het innerlijk stap voor stap opbouwen van een gedachte-inhoud, zonder die hardop uit te spreken of hardop voor te lezen. Dan gaat het niet om abstract denken, maar zoveel mogelijk gevoelsgedragen en vanuit de wil denken.

Natuurlijk komen ook allerlei vragen over de weg die de gestorvene gaat aan de orde, zoals of het uitmaakt of je jong of oud sterft, of je al dan niet verbonden bent geweest met de antroposofie.

Onderstaand vindt u een aantal vertaalde passages uit voordrachten waarin dit thema voorkomt. De cursieve kopjes tussen haakjes zijn toegevoegd om de passages enigszins te ordenen – ze stammen van de vertaler.

Wanneer u zich intensiever zou willen verdiepen in contact met gestorvenen, is het boekje “Met de doden leven” van Arie Boogert (uitgegeven door Christofoor) aan te bevelen. Veel uitvoeriger dan hier mogelijk is komen allerlei aspecten van dit thema op een warme en eigentijdse manier aan de orde.

Er zijn in Nederland een aantal groepen mensen, die met enige regelmaat samen voor gestorvenen voorlezen. Die regelmaat is goed voor gestorvenen, maar ook een hulp voor onszelf. Voorlezen op een vast, zelf gekozen tijdstip, is gemakkelijker vol te houden, dan als je voorleest als je er voor “in de stemming” bent, hebben we gemerkt.

Onderaan dit artikel vindt u enkele spreuken voor gestorvenen, afkomstig uit het boekje van Rudolf Steiner “Door de poort van de dood – teksten en meditaties” (ISBN 9060383486). In dit boekje vindt u gedeelten van voordrachten en een groot aantal spreuken voor gestorvenen.
Het is een soort handboekje om contact met gestorvenen te kunnen leggen.

Franz Ackermann, voortrekker van onze zusterorganisatie in Zwitserland, de zogeheten ‘Arbeitsgemeinschaft Sterbekultur”, heeft ook passages over dit onderwerp verzameld in een (Duitstalig) pdf-bestand.
U kunt dat hier downloaden: www.sterbekultur.ch/studienblaetter.htm
Meer over deze organisatie vindt u op haar website: www.sterbekultur.ch
Uit GA 179 ‘Historische noodzaak en vrijheid’
10 december 1917, Dornach1

 

Hoe werken gestorvenen met ons samen

De mens houdt niet op aktief te zijn binnen de menselijke gemeenschap, als hij door de poort van de dood is gegaan. Hij blijft aktief, maar wel op een andere manier dan hij hier in het fysieke lichaam moet zijn. Maar veel van alles, waarvan een mens de illusie heeft dat hij het zelf doet, omdat het uit zijn gevoelens en wilsimpulsen voortvloeit, vloeit in waarheid voort uit de handelingen van de gestorvenen, op het moment dat wij zelf de bijbehorende handelingen verrichten.
Het zal in de toekomstige ontwikkeling van de mensen belangrijk zijn, om te weten dat de mens, als het gaat om zijn leven binnen een menselijke gemeenschap, ook in gemeenschap met de gestorvenen handelt. Alleen moet natuurlijk een dergelijk bewustzijn, dat in wezen samenhangt met het gevoels- en wilsleven, ook door het voelen en willen begrepen worden. Abstrakte, droge voorstellingen zullen dat nooit kunnen bevatten, maar voorstellingen die voortkomen uit de geest-wetenschap, die zullen dat kunnen bevatten. Mensen zullen zich daarbij overigens over veel dingen heel andere begrippen moeten vormen.

(Voorlezen vanuit een doorlicht gevoelsleven)
U weet allemaal, dat iemand die stevig verankerd is in het bevatten van geest-wetenschappelijke impulsen, kan proberen om in verbinding te blijven met degenen die door de poort van de dood zijn gegaan. De gedachten van de geest-wetenschap, de ideeën die we ons vormen over de processen in de geestelijke werelden, zijn zowel voor ons mensen op aarde als voor degenen die gestorven zijn toegankelijk en te begrijpen. Daaruit komt voort het zogeheten voorlezen voor gestorvenen. Als we juist van binnen in gedachten geest-wetenschappelijke gedachten voorlezen aan de gestorvenen, dan is dat werkelijk gemeenschapsleven met de gestorvenen. Want de geest-wetenschap spreekt een taal die voor levenden en gestorvenen gemeenschappelijk is. Maar het gaat er daarbij wel om, om steeds meer en meer juist met het gevoelsleven, met een doorlicht gevoelsleven, deze dingen te benaderen.
Denkt u maar eens aan wat ik gisteren heb gezegd. De mens leeft tussen geboorte en dood in een omgeving, die in wezen doortrokken is van voelend leven. Dat is voor de gestorvene het laagste rijk. Voor ons levenden is het minerale rijk het laagste zintuiglijke rijk om ons heen, maar om de gestorvene heen is een rijk waarin hij verdriet of vreugde bewerkstelligt bij alles wat hij aanraakt. Net zoals wij een steen of een blad aanraken, zo veroorzaakt een gestorvene gevoelens. Hij kan niets doen zonder dat hij gevoelens van vreugde, van verdriet, van spanning of ontspanning opwekt.
Op het moment dat wij door het voorlezen met gestorvenen in verbinding komen, treedt voor de gestorvenen de gemeenschap op, waar we zojuist over spraken, in dit bijzondere geval van het voorlezen. Daardoor treedt de gestorvene in verbinding met de ziel die hem hier voorleest, met de ziel die op een of andere manier karmisch met hem verbonden is. En zoals de gestorvene in zijn laagste rijk, dat we met het dierenrijk in verbinding moeten brengen, in zo’n verhouding staat dat alles wat hij doet vreugde of verdriet veroorzaakt, zo staat hij zo in verbinding met alles wat samenhang met mensenzielen oproept – mensenzielen op aarde of mensenzielen die al gestorven zijn en tussen dood en nieuwe geboorte leven – dat hij door datgene, wat in andere zielen gebeurt, een opgetild of een verlamd levensgevoel krijgt.

 

Wat betekent het voor de gestorvene

Stelt u zich dat eens helder voor. Als u hier een levend mens voorleest, dan weet u dat hij u begrijpt zoals een mens kan begrijpen. Maar de gestorvene lééft er in, de gestorvene leeft in in ieder woord dat u hem voorleest, de gestorvene dringt door in datgene wat door u zelf heengaat in uw gemoed. De gestorvene leeft met u, hij leeft intensiever met u dan hij ooit in het leven tussen geboorte en dood heeft kunnen leven. Zo komt u tot een verhoogd begrip van de gemeenschap met gestorvenen. Deze gemeenschap met gestorvenen is, wanneer we die zoeken, eigenlijk heel innig en door het schouwende bewustzijn wordt dit samenzijn met gestorvenen nog intensiever.
(Omgang met gestorvenen verloopt anders dan omgang met mensen hier op aarde)
Als de mens werkelijk bewust het rijk betreedt dat wij samen met de gestorvenen bewonen, dan is de omgang met de gestorvene alsvolgt: Als u bijvoorbeeld de gestorvene voorleest of ook voorspreekt, dan hoort u als een geestelijke echo dat wat u zelf voorleest. Men moet zich zulke begrippen eigen maken, als men zich een werkelijke voorstelling van de concrete geestelijke wereld wil leren maken. Dingen zijn in de geestelijke wereld anders dan hier. Hier hoort u zichzelf spreken, of u weet dat u denkt, als u spreekt of denkt. Als u tot gestorvenen spreekt, of denkend een verbinding met hen legt, dan klinkt u vanuit de gestorvene tegemoet wat u tot hem spreekt of wat u denkend en voorstellend tot hem richt – als de verbinding bewust in het schouwen is.
En verder hebt u een gevoel van innig verbonden zijn met hem, als u hem iets meedeelt. En als hij u antwoordt op deze mededeling, hebt u aanvankelijk het vage bewustzijn dat de gestorvene spreekt. U hebt het onbestemde bewustzijn: de gestorvene heeft gesproken en dan moet u uit uw eigen ziel tevoorschijn halen wat hij heeft gezegd. Daaruit begrijpt u, hoe noodzakelijk het is voor een werkelijke geestelijke omgang met elkaar, om van de ander te horen wat men zelf denkt en zich voorstelt en anderzijds uit u zelf te horen wat de ander zegt. Dit is een soort omkering van de hele verhouding van het ene wezen tot het andere wezen. Maar deze omkering heeft plaats als men werkelijk in de geest-wereld binnentreedt.

Uit GA 140: Spiritueel onderzoek over het leven tussen dood en nieuwe geboorte
27 april 1913, Düsseldorf

 

Met wie kun je contact hebben in de eerste tijd na het sterven

De eerste tijd nadat we gestorven zijn kunnen we eigenlijk alleen goede betrekkingen hebben met degenen die hier op aarde zijn achtergebleven of met degenen die zijn gestorvenen in de tijd die dichtbij ons eigen doodsmoment ligt. De meest nabije banden tussen mensen werken dan over de dood heen. Wat dat betreft kan er juist door degenen die hier achtergebleven zijn, de levenden, veel gedaan worden. Want de achterblijvende kan, omdat hij verbonden is met de gestorvene, aan deze gestorvene zijn eigen inzichten in de geestelijke wereld vertellen.

 

Contact vanuit het voorlezen en vanuit wat je zelf met de gestorvene deelt

Dat kan vooral door het voorlezen voor de gestorvenen. We kunnen de gestorvene de grootste dienst bewijzen, als we gaan zitten met vòòr onze ziel het innerlijke beeld van de gestorvene en hem dan zachtjes een geest-wetenschappelijk boek voorlezen, hem onderwijzen. Men kan hem ook zijn eigen gedachten, die men in zich heeft opgenomen, toesturen, daarbij steeds het beeld van de gestorvene echt levend voor ogen houdend. Hiermee moeten we niet zuinig zijn; we overbruggen zo de afgrond die ons van de gestorvene scheidt. Niet alleen in de extreemste gevallen, maar in ieder geval kunnen we iets goeds doen voor de gestorvenen. Dat is een troostrijk gevoel, het kan de smart lenigen over het sterven van iemand die je lief is.

 

Over de vraag of je kinderen die bij de geboorte of kort daarna zijn gestorven ook kunt voorlezen

Een kind ben je alleen op aarde. Vaak blijkt bij helderziend onderzoek dat een mens die als klein kind is gestorven, een individu is dat minder kind is dan iemand die als tachtigjarige is gestorven. Je kunt daarom niet dezelfde maatstaven aanleggen.
Ik heb al wel eens uitgelegd hoe het schilderij met de titel ‘De school van Athene’ begrepen kan worden. In de afgelopen tijd leerde ik het wezen kennen van iemand die jong gestorven is. Hij kon in ons contact mijn aandacht richten op wat er in de gedachten van Rafael (de schilder van dat schilderij) nog leeft van dit schilderij. Dit mensenwezen wees mij erop dat bij de groep linksvoor op het schilderij iets overgeschilderd is. Wat daar overgeschilderd is, is de plek waar iets opgeschreven staat. Daar staat nu een zin van Pythagoras. Oorspronkelijk stond daar een stuk uit het evangelie! – U ziet dus, dat zo’n ‘kind’ een heel ontwikkeld mensenwezen kan zijn, dat iemand de toegang geeft tot zaken die je maar moeilijk kunt vinden.
Dus ik wil maar zeggen: je kunt het voorlezen ook toepassen voor jong gestorven kinderen.

Bergen, 10 oktober 1913

 

Hoe lees je voor – een andere aanwijzing

Ik probeerde niets anders uiteen te zetten dan iets wat zich kan ontwikkelen als een goed resultaat van geest-wetenschappelijk streven. Ik bedoel het zogeheten voorlezen voor gestorvenen. Men kan namelijk inderdaad de vòòr ons gestorven mensenzielen een enorme dienst bewijzen door hen over spirituele dingen voor te lezen. Dat is in onze antroposofische beweging gebleken. Dat kun je zo doen, dat je je gedachten richt tot de gestorvene en probeert – om het gemakkelijker te maken – hem voor de geest te halen zoals je je hem herinnert: staand of zittend voor je. Dat kun je met meerderen tegelijk doen. Je leest dan niet hardop voor, maar volgt aandachtig de gedachten, terwijl je steeds van binnen het beeld van de gestorvene voor je vasthoudt. Dat is ‘gestorvenen voorlezen’. Je hoeft geen boek te hebben, maar je moet niet abstrakt denken. Iedere gedachte helemaal doordenken – zo lees je gestorvenen voor. Je kunt het zelfs zover brengen, hoewel dat moeilijker is, dat je, als je op een of ander gebied een gemeenschappelijke gedachte met de gestorvene hebt gehad en een persoonlijke verhouding tot hem had, je ook iemand die verder van je af staat kunt voorlezen. Dat gebeurt doordat hij door de warme gedachten die je tot hem richt, geleidelijkaan opmerkt dat je je tot hem richt.
Zo kan het zelfs nuttig worden als je degenen die verder van je afstaan voorleest. Mij is gevraagd op welk moment je dat het beste kunt doen. Het is onafhankelijk van het uur waarop je dat doet. Maar je moet de gedachten werkelijk doordenken. Oppervlakkigheid is niet genoeg. Je moet woord voor woord de inhoud doorlopen, alsof je het van binnen opzegt. Dan lezen de gestorvenen mee. Het klopt ook niet dat zo voorlezen alleen nuttig is voor mensen die zich tijdens hun leven met de geestwetenschap hebben verbonden – dat hoeft helemaal niet het geval te zijn.
[hierna volgen voorbeelden van mensen die in hun leven de antroposofie afgewezen hadden en die na hun dood des te meer een verlangen naar antroposofie hadden.]

 

Waarom zou je voorlezen?

Je vormt je een verkeerde voorstelling van het leven tussen dood en een nieuwe geboorte als je de vraag zou stellen: Waarom zou je eigenlijk gestorvenen voorlezen? Weten die dan niet uit eigen aanschouwing wat de mens hier op aarde kan voorlezen – weten ze dat niet veel beter dan wij? Zoiets vraagt alleeen iemand die niet in staat is om te beoordelen wat je juist in de geestelijke wereld kunt ervaren. Weet u, je kunt ook in de fysieke wereld zijn, zonder dat je weet hebt van de fysieke wereld. Als je niet in staat bent het een of ander te beoordelen, kun je de kennis van de fysieke wereld niet ervaren. De dieren leven ook met ons samen in de fysieke wereld en weten toch niet over die wereld wat wij als mensen ervan weten. Dat een gestorvene in de geestelijke wereld leeft wil nog niet zeggen dat hij van deze geestelijke wereld iets weet, hoewel hij die kan zien. Alleen op aarde kan geest-wetenschappelijke kennis worden verworven, je kunt die kennis niet opdoen in de geestelijke wereld. Daarom moet, als iets door een geestelijk wezen geweten moet worden, dat door een wezen te weten gekomen worden dat zelf op aarde is. Dat is een belangrijk geheim van de geestelijke werelden, dat je daar kunt zijn, ze kunt aanschouwen, maar dat je datgene wat nodig is als weten over de geestelijke werelden alleen op aarde verworven kan worden.
Uit: GA 150: ‘De wereld van de geest en haar werkingen in de fysieke wereld’
Weimar, 13 april 1913, ’s ochtends
‘Zintuiglijk beleven en beleven van de wereld van de gestorvenen’

 

Wat nemen slapende mensen mee voor de gestorvenen

Het andere wat je kunt bedenken is, dat wij, als we ’s nachts in de slaap de bovenzintuigelijke wereld binnengaan, in hetzelfde rijk zijn, waar ook de gestorvenen zijn. Alleen weten we daar bij het wakker worden niets meer van. Hoe gaan de meeste mensen slapen? Je kunt zeggen dat ze weinig spiritueels meenemen als ze de drempel tot de slaap hebben overschreden. Degenen die door het genieten van spiritualiën de nodige bedzwaarte hebben bereikt, brengen niet veel spiritueels mee in de geestelijke wereld. Maar er zijn daarbij veel nuances. Je hoort zo vaak: wat heeft het voor zin om geest-wetenschap op te nemen en dan nog niet eens in de geestelijke wereld te kunnen binnenkijken? – Ja, als iemand zich daar maar genoeg mee bezighoudt, dan neemt hij ook iets mee in de slaap. Denkt u eens aan een slapende stad, aan slapende mensen, dan zijn de zielen buiten het lichaam.
Wat de slapende zielen betekenen voor de geestelijke wereld is nog wat anders dan dat wat ze betekenen voor de fysieke wereld. Voor de gestorvenen is het vergelijkbaar. Wat wij de gestorvenen geven en wat zij in hun bewustzijn opnemen, dat is wat ze voor hun leven nodig hebben. Als wij voor hen spirituele gedachten meenemen, dan hebben ze voeding, als we dat niet doen hebben ze honger. Daarom kun je zeggen dat wij door het verzorgen van spirituele gedachten geestelijk voedsel voor de gestorvenen verschaffen. We kunnen hen laten verhongeren als we ze geen spirituele gedachten brengen. – Als de velden verkommeren kunnen ze geen voedsel opbrengen om mensen te voeden en de mensen kunnen verhongeren. Gestorvenen kunnen dan wel niet verhongeren, maar ze lijden eronder als op aarde het geestelijk leven verkommert.

De levende wisselwerking tussen levenden en gestorvenen (10.10.1913)

Hoe weet je of de gestorvene het echt kan horen?

Zonder helderziende blik kun je dat moeilijk te weten komen, hoewel je geleidelijk aan, als je je met aandacht voor gestorvenen bezig houdt, verrast kan worden door het gevoel: de gestorvene luistert. Je zult dat alleen niet merken, als je niet oplet en zo niet de eigenaardige warmte opmerkt die zich vaak bij het voorlezen voordoet. Je kunt daar echt een gevoel voor krijgen.
Als dat niet lukt, beste vrienden, dan kun je zeggen dat ook in dit geval een regel gebruikt kan worden, waarmee we vaak moeten werken. Dat is de regel: Ja, als we gestorvenen voorlezen, doen we dat onder alle omstandigheden ten bate van de gestorvene, als hij ons hoort! En al hij ons niet hoort, dan vervullen we in elk geval onze plicht en komen misschien zover dat hij ons toch hoort; en anders heeft het toch zin, want we vervullen ons met gedachten en ideeën die zeker voeding zijn voor de gestorvene op de manier die ik al eerder besprak. Er gaat dus onder alle omstandigheden niets verloren.
Maar in de praktijk is gebleken, dat van de kant van de gestorvenen het vernemen van wat voorgelezen wordt heel vaak voorkomt, en dat er een grote dienst bewezen kan worden aan degenen die we voorlezen wat tegenwoordig aan geestelijke wijsheid eigen gemaakt kan worden.

Zo mogen we hopen, dat de scheidingsmuur tussen levenden en gestorvenen steeds minder en minder wordt, doordat de geest-wetenschap zich in de wereld verbreidt.

 


 

Geesten van uw zielen, werkende wachters,
neem de liefde op uw vleugels,
die wij biddend willen zenden
aan d’u toevertrouwde sferenmensen.
Moge, met uw macht vereend,
onze bede helpend stralen
voor de zielen die zij innig zoekt.

 


 

Onze liefde volge jou,
jij ziel, die nu leeft in de geest,
die haar aardeleven overziet
en zichzelf daardoor als geest herkent.
En wat jou in het zieleland
denkend als jouw zelf verschijnt,
neme onze liefde op, opdat wij onszelf in jou voelen,
jij in onze ziel kunt vinden
wat daarin leeft met jou,
trouw aan jou.

 


Voel hoe wij in liefde opzien
naar de hoogten die jou nu
oproepen tot ander scheppen.
Reik ons vrienden die jij hier liet,
nu jouw kracht uit geestgebieden.

Hoor de vraag uit onze harten,
in vertrouwen jou gezonden:
wij behoeven voor ons aardse werk
steun en kracht uit geesteslanden
die gestorven vrienden schenken.

Hoop die ons gelukkig maakt
bij het verlies dat ons diep treft:
Laat ons hopen dat jij ver-nabij
onverminderd in ons leven schijnt
als een ziele-ster in het geestdomein.

Broederschap tussen levenden en gestorvenen
Bastiaan Baan

Bastiaan Baan

schilderij Mieke Fielmich

Verbondenheid met gestorvenen is in deze tijd een vraag, in vroegere culturen was het een vanzelfsprekendheid. Tot ongeveer twee eeuwen geleden waren samenlevingen verbonden met gestorvenen. Dit contact was een doorslaggevende cultuurfactor. Dat is te zien in de zogeheten dodenboeken uit Egypte en uit Tibet, in de voorouderverering en aan cultuurgoed dat we in musea kunnen bekijken, zoals mummies.
Nu is het geen cultuurfactor meer. Voor het eerst staan de gestorvenen in de kou, collectief. Men doet alsof ze er niet meer zijn, men sluit ze buiten.  Ik mag op deze bijzondere plaats een lezing houden, een plek waar wel een bewustzijn van en een cultuur voor de gestorvenen is. Hier is zorg voor stervenden en gestorvenen. Ik koester een stille hoop dat er in deze constellatie aan verder gewerkt kan worden.

We kunnen ons afvragen hoe we dat dan doen, broederschap met gestorvenen cultiveren? En hoe zij dat doen? Is er verschil tussen pas-gestorvenen en degenen die zijn thuisgekomen in die andere wereld?  Al vanouds werd de sterfdag ‘dies natalis’ genoemd, de ‘geboorte-dag’. De pasgestorvene is als een pasgeboren baby. Kort voor zijn onverwachte sterven schreef een vijftienjarige een gedicht:

Twee geweven handen
ontvouwen zich als twee vleugels.
Een onverklaarbaar licht.
Vreugdekreten, ongehoord:
ongeboren wezen.
Afgezonderd mens zijn,
hulpeloos geplant.

Er spreekt een aanvoelen uit van wat er stond te gebeuren.

Een pasgestorvene is met al zijn vezels verbonden met ieder die in zijn leven, zowel ten goede als ten kwade, een rol speelde. De gestorvenen kunnen in de eerste tijd na hun overlijden over de schouder meekijken, signalen geven.

Een collega had geldzorgen en was van plan zijn viool te verkopen om brood op de plank te krijgen. ’s Nachts stond zijn pasgestorven vader voor hem en zei op zijn karakteristieke wijze: ‘Je laat het!’. Een dag later kwam er uitkomst in de financiële problemen. De gestorvene stuurde bij vanuit een ander inzicht in de situatie.  Dit duurt een ‘gestorvenen-jaar’, een periode van verbonden-zijn bij de gratie van het terugkijken op het eigen leven. Als de gestorvene dat voorbije leven heeft kunnen loslaten kan hij naar een ander gebied opstijgen.

Voor recent gestorvenen is het aanknopingspunt het lief en leed wat gedeeld is, uit het dagelijks leven gegrepen. Dit kan gebeuren vanuit een aantrekkingskracht, zowel vanuit een liefde-relatie, als vanuit de hindernissen die je samen had. Herbert Hahn, een jonge leraar op de eerste Vrije School in Stuttgart, kwam bij Rudolf Steiner n.a.v. ervaringen met zijn overleden vader. De herinnering hoe zijn vader hem op zijn 15een zakhorloge had gegeven vormde de verbinding. Rudolf Steiner zei: ‘Juist door sterk gekleurde ervaringen kan contact ontstaan. De gestorvene schildert vanuit de andere zijde mee.’  Op dit gebied zouden we  als het ware expressionisten moeten worden.

Hoe concreter de verbinding bij leven was, des te concreter de verbinding na het sterven kan worden. We kunnen dicht bij huis beginnen.  Een werkster vertelde hoe zij na het sterven van haar stiefvader met hem omging. Aan het einde van de dag nam ze zijn foto en praatte tegen hem. ‘Dag stief, hoe gaat het nu met jou? Weet je nog van toen en toen?’ Nadat ze enkele herinneringen had opgehaald,vertelde ze hoe het met haar ging. Ze droomde elke nacht dat ze een berg op klom, naar een kasteel. Ze wandelde naar binnen en kwam in de eerste zaal, waar mensen zaten die als van was leken. In de tweede zaal was het leeg. In de derde zaal vond zij haar stiefvader, springlevend. ‘Je bent toch dood?’ ‘Nee, waar ik ben, bestaat de dood niet’. Dan aten en dronken ze samen. Zo ontstond een onbekommerd zoeken, vanuit kleurige, levendige herinneringen.

Rudolf Steiner zei: ‘Wat ons na aan het hart lag, kleurt de gedachte zo, dat het op het moment van inslapen naar de overledene toestroomt’. Dat vraagt om een actieve ontvankelijkheid, zonder vooroordeel. Zowel activiteit als ontvankelijkheid zijn nodig om een begin te maken, in een pendelslag tussen nabijheid en distantie.

Friedrich Rittelmeyer droomde een paar jaar na de dood van Rudof Steiner, dat hij in een tunnel aan het hakken was met een hamer. Dan hoort hij vanaf de andere kant ook kloppen. Steiner spreekt: ‘Volhouden, Rittelmeyer, ik kom van de andere kant‘.

De ontvankelijke zijde kunnen we herkennen bij de predikant J.F.Oberlin (1740-1826), die in de woestenij van het ‘Steintal’ in de Vogezen een gemeente probeerde op te bouwen. Zijn werk is ondenkbaar zonder zijn ‘Geistes-Ehe’. Hij is 16 jaar lang gelukkig getrouwd, als zijn vrouw bij de geboorte van hun negende kind een voorgevoel heeft en afscheid van hem neemt. Hij is vertwijfeld als zij een paar dagen later sterft. In die opengebroken stemming hoort hij na negen dagen: ‘Ik zal om je heen zijn’. Dit was het begin van een geestelijk huwelijk van negen jaar. Iedere nacht om drie uur, op een vast tijdstip, wekt ze hem, door zijn pink aan te raken. Negen jaar lang duurt deze intensieve verbinding. Overdag is hij heel praktisch bezig, helpt aardappelvelden te ontginnen, bomen te planten, straten aan te leggen. ’s Nachts houdt hij in dagboeken bij hoe de wegen zijn van gestorven gemeenteleden. Een burger van twee werelden. Na negen jaar bemerkt hij een veel grotere distantie tot haar. Is zijn vrouw in een andere fase beland? Rudolf Steiner zegt hierover: ‘Na een geest-jaar – dat is de tijd die een gestorvene in het zielenrijk moet doorbrengen – wordt de verbinding die er tot dan toe bestond met de zielenwereld tot een verbinding met de geest-wereld’.

Als ons leven 90 jaar heeft geduurd, zal de periode in het zielenrijk, het kamaloka, ongebeer 30 jaar duren. De gestorvene wordt wijs, zijn zieleroerselen spelen geen rol meer, het zielelichaam wordt afgelegd. Alleen het eigenlijke wezen blijft voortbestaan. Concrete aanknopingspunten uit het voorbije leven werken nu niet meer. De gestorvene heeft ander voedsel nodig. In deze fase doet het er niet meer toe of degene die contact zoekt een bekende is. Het contact hangt ervan af of ik in staat ben mij onzelfzuchtig in het leven van de ander te verplaatsen.

Doorslaggevend lijkt dat we kunnen aanleunen tegen gestorvenen die inmiddels wijs zijn geworden. Hun inzichten hebben we nodig om houdbare besluiten te nemen. Als we zo de verbinding cultiveren kan dat heel productief zijn. We kunnen gestorvenen helpen door het voorlezen van spirituele gedachten, doorvoeld door kleurige gevoelens, die voor hen voedend zijn. Onze tijd is vermoedelijk de eerste waarin de gestorvenen aan lege tafels zitten. Nodig is het voortzetten van hun impulsen op aarde. Rudolf Steiner zei:’ Iedere nacht zijn ze om ons heen, maar wat vinden ze? Huis-tuin-en-keuken-zaken, een akker met distels en doornen. Wij kunnen voor hen een tafel dekken door hen onze geestelijke gedachten te sturen’.

De verbinding met één enkele gestorvene kan soms grote gevolgen hebben. Een voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog, dat zijn oorsprong heeft in de Eerste Wereldoorlog: een Engelse officier, Wellesley Tudor Pole, vecht in de eerste wereldoorlog, in de omgeving van Jeruzalem. Hij heeft een gesprek met zijn strijdmakker. Die zegt tegen hem: ‘Ik zal morgen sterven. Jij blijft in leven en zult een nog grotere oorlog meemaken. Wanneer die tijd komt, denk dan aan ons. Geef ons de mogelijkheid mee te werken. Geef ons iedere dag een ogenblik stilte. De macht van het zwijgen is sterker dan jullie denken. Vergeet ons niet, wanneer die oorlog komt’. Tudor Pole overleeft de oorlog  en gaat terug naar Engeland. Als in 1940 de oorlog uitbreekt komt deze vraag van zijn gestorven strijdmakker hem in herinnering. Hij legt contact met mensen die leiding geven en vertelt zijn verhaal.  Vanaf 26 mei 1940 wordt er bij koninklijk besluit iedere dag om negen uur ’s avonds een minuut stilte gehouden om de doden te herdenken. Drie dagen daarna gebeurt het ‘wonder van Duinkerken’. Een Engels leger van 250.000 man dreigt aan de kust in Frankrijk door de Duitsers ingesloten te worden. Er komt nevel opzetten. Beschermd door de nevel en bij gunstige wind en rustig weer kan dit leger de oversteek over het Kanaal maken. De mensen in het Britse rijk voelen: in die ‘silent minute’ is iets gebeurd. Dat raakt ook de Duitsers. Na de oorlog horen de Engelsen van een veroordeelde Duitse bevelhebber: ‘U had een geheim wapen, dat we niet begrepen. Dat had te maken met het luiden van de klok om negen uur ’s avonds’.
De ‘Big Ben silent minute’ werd 21 jaar lang  elke dag in acht genomen. Van iets wat begon tussen twee mensen kon er regionaal, landelijk en wereldwijd iets groeien van groot belang.

Michael Bauer zei op de avond voordat hij stierf:

‘Wanneer het mogelijk zou zijn, dat de levenden niet meer aan de gestorvenen zouden denken, en wanneer de gestorvenen niet meer aan de geliefde levenden zouden denken, dan zou alle liefde ophouden te bestaan. Maar dat is immers niet mogelijk’.

Geestelijke liefde vormt een brug. Dat is een hoopvol perspectief voor iedereen en voor alle problemen waarvoor we in de wereld staan.

 

Dit is een verslag van een lezing gehouden in Huize Valckenbosch in Zeist.

Met de doden leven

Arie Boogert

In de laatste decennia lijkt er een kentering te zijn gekomen in het bewustzijn rondom het sterven. In de zeventiger jaren kwamen de eerste berichten over bijna-dood-ervaringen. Elisabeth Kübler Ross is er als eerste in geslaagd om aandacht voor stervenden wereldwijd op de publieke agenda te zetten. In de opkomst van de hospice-beweging, ook in Nederland, kunnen we zien dat een grote groep mensen, vrijwilligers en professionals, zich geroepen voelt om stervenden liefdevol bij te staan. De dood is niet langer ‘taboe’, wordt niet meer verzwegen. – Tegelijk zijn er velen, voor wie de wereld van de gestorvenen dichterbij is gekomen. Ons bewustzijn lijkt opener, wijder te zijn geworden. Zo kan het gebeuren dat een gestorvene zich spontaan bij je meldt. Het kan het begin zijn van een subtiele vorm van contact. Wat zou je kunnen doen als je vanuit jezelf met een dierbaar mens in contact wil blijven na het overlijden? Kun je dat zomaar doen?

Arie Boogert geeft in ‘Met de doden leven’ handvatten om je liefdevolle aandacht ook aan gestorvenen te kunnen geven. Hij vat hierin samen wat al in het begin van de 20e eeuw door Rudolf Steiner, verspreid over vele voordrachten, is gezegd over het hoe en waarom van het verzorgen van het contact. Het is ook een ‘warm’ boek, gebaseerd op levenslange eigen ervaringen in het contact met overledenen.

Voor gestorvenen maken wij levenden vanzelfsprekend deel uit van hun wereld. Wíj kunnen, door innerlijk werk, ervoor zorgen dat deze wereld binnen ons bereik komt, voor ons toegankelijk wordt. We moeten afwachten of zij met ons in contact willen komen. De weg begint met het voorbereiden van je innerlijke ruimte. Dat doe je door je af te zonderen van alle uiterlijke zaken. Het enige wat je dan zal afleiden is wat zich zoal in jezelf afspeelt: gedachten die hun eigen weg gaan, voorstellingen die zich opdringen, gevoelens. Je moet een situatie scheppen waarbij je je innerlijk staande kunt houden, een situatie van ontvangende aandacht. Een en al opmerkzaamheid, waarneming. In die ruimte kunnen geestelijke wezens binnenkomen.

Door het hele boek heen vind je sprekende voorbeelden van ervaringen vanuit dat verwijde bewustzijn, waarin de andere wereld zich meldt. Die schakering aan voorbeelden verbreedt onze verwachtingen rondom dit nog onbekende gebied. Het helpt bij het opbouwen van een innerlijk kader om jezelf te steunen op je weg.

In het hart van het boek staan een aantal spreuken van Rudolf Steiner, die als ‘vervoermiddel’ voor je aandacht kunnen dienen.
 Je kunt een gestorvene ook vragen stellen. De momenten van inslapen en wakker worden zijn daarvoor het geëigende moment. Langzaam leer je je meer openen voor je intuïties – we hebben wel degelijk grenservaringen, maar herkennen ze niet altijd.

Zo kunnen we geleidelijk een soort waarnemings-orgaan voor hen ontwikkelen, we raken betrokken bij wat de ander doormaakt. De band die we daarmee scheppen zal niet meer breken, al kan de verbinding wisselen in intensiteit. Die band tussen levenden en gestorvenen is elastisch en vrij.

 

Uitgever Christofoor
ISBN 9789060386422
juli 2009