De opbaring en het waken

De tijd van opbaring is van groot belang voor de verzorgende omgang met de gestorvene. De overledene is zich doorgaans niet direct op het moment van overlijden bewust van het totaal radicale transformerende karakter van het sterven. Er zijn tegenwoordig talrijke getuigenissen beschikbaar van bijna-dood-ervaringen. Deze bewijzen dat het bewustzijn van de gestorvene weliswaar veranderd is, maar toch nog relatief verwant is aan ons normale dagbewustzijn. De hogere wezensdelen van de mens zijn uit het fysieke lichaam losgemaakt, maar het ziele-wezen is nog met de levenskrachten verbonden. Daardoor verliest de gestorvene aanvankelijk zijn bewustzijn niet. Dat gebeurt, net als in diepe slaap, pas als het ziele-wezen gescheiden is van de levenskrachten. De werkzaamheid van de ziel kan in deze toestand, vrij van het fysieke lichaam, beelden scheppen in het levenskrachten-lichaam, waardoor bewustzijn ontstaat. Wat dan verschijnt is het ‘levenstableau’, het aanschouwen van alles wat je hebt beleefd. Dat staat als het ware in beelden om je heen, alles gelijktijdig. Men kan dit etherische ‘beeldenlichaam’ in een opbaringsruimte voelend beleven als een zachte wolk-achtige omhulling. Het is op een ervaarbare, maar moeilijk te omschrijven wijze nog wel verbonden met het gestorven fysieke lichaam, en het wordt gestoord door elke beweging van het fysieke lichaam, met name door transport. Daarom is het goed dat na het sterven zo snel mogelijk de noodzakelijke bewegingen (voorbereidingen voor de opbaring) plaatsvinden. Daarna moet het lichaam drie dagen lang volledig met rust gelaten worden.

Rudolf Steiner geeft bij enkele gelegenheden aanwijzingen voor de opbaring. De kaarsen moeten liefst zó worden geplaatst dat er geen schaduw valt op het gezicht van de overledene.
Het zachte licht van de kaarsen vormt een omhullende ruimte. Mooi is een passend bloemstuk. Zonnebloemen zijn hiervoor niet geschikt. Men kan ook de bloemen op en om de overledene heen laten verwelken (men laat ze dan liggen). Bloemen hebben zuivere levenskrachten (etherlichamen), die bij hun verwelken weldadig harmoniëren met het verwelkingsproces van de levenskrachten (het etherlichaam) van de gestorvene.

Het waken

Uit ‘Altijd scheiding, altijd weer begroeten’, Boogert, ed. Christofoor 1991

Nabestaanden nemen in de dagen na het overlijden de zorg voor het lichaam over van degene die zojuist is overleden. We laten het lichaam niet zo maar achter, meteen. Maar wat is eigenlijk de zin van de dodenwake?
De drie dagen tot de begrafenis zijn begonnen in de rust en de stilte waarin deze mens binnenstierf. Die rust en stilte blijven om het lichaam heen. De gestorvene zelf heeft deze dagen nodig om in zijn nieuwe bestemming tot zichzelf te kunnen komen. De gestorvene gaat helemaal op in de beelden van zijn geleefde leven, in zijn biografie die nu onverhuld voor hem staat. Wie in deze dagen regelmatig bij de gestorvene kan zijn, neemt waar hoe de gelaatsuitdrukking verandert, hoe de linker- en de rechterzijde van het gelaat beginnen te verschillen. Het gelaat weerspiegelt iets van de ervaringen van de ziel, we nemen eraan waar hoelang de gestorvene opgaat in het herinneringstableau. En na drie tot vier dagen kunnen we de duidelijke gewaarwording hebben: nu is deze eerste fase voorbij.

Wat we doen door bij de gestorvene te waken kunnen we misschien wel het beste begrijpen als we denken aan de toestand van iemand die zwaar ziek is. Wij laten de zieke rustig slapen als hij slaapt, we storen hem niet, spreken hem niet voortdurend aan. We laten zo’n proces op zijn beloop, afgezien van de noodzakelijke handreikingen. Zo is het ook bij het lichaam van de gestorvene. We spreken in deze dagen nog geen gebeden of meditaties die tot de gestorvene persoonlijk gericht zijn. De gestorvene gaat immers helemaal op in de terugblik op zijn leven. Hier past het Onze Vader, en het evangelie dat de achtergrond en ook de dragende grond is van elke menselijke biografie. Hiervoor zijn in het bijzonder de hoofdstukken 14 tot en met 17 uit het Johannes-evangelie geschikt. Maar we kunnen ook een geheel evangelie beginnen te lezen en aan degene die na ons komt waken, vragen hiermee verder te gaan. Bij het waken horen ook de nodige handreikingen: vervangen van de kaarsen, schikken van de bloemen, verzorgen van de graszoden.

Als we waken voegen we bewustzijn toe aan het lichaam dat achterbleef. Wij laten in ons bewustzijn, terwille van de gestorvene, de grote, fundamentele gebeurtenissen uit het leven van Christus aanwezig zijn, als een achtergrond voor de terugblik die de gestorvene nu doorleeft. Zo kunnen we het waken omschrijven als het ter beschikking stellen van een ‘plaatsvervangend bewustzijn’.

Wanneer waken we dan?

Als er velen om de gestorvene heen staan, eventueel zelfs dag en nacht. Als we een keuze moeten maken, waken we wanneer de gestorvene niet in het bewustzijn van anderen leeft, dus ’s nachts. En dan vooral in de donkere uren en gedurende de tijden van overgang: rond middernacht en zonsopgang; en midden in de nacht wanneer het levensproces van de aarde zelf overgaat van de in- naar de uitademing. In het bijzonder voor mensen die er geen ervaring mee hebben, is het goed om niet alleen te zijn, maar samen met iemand anders te waken bij het lichaam, zeker in het holst van de nacht.

Praktisch

Er zullen meer mensen zijn die willen waken, een keer naast de baar willen zitten en aan de gestorvene denken. Laat iemand uit deze kring een lijst bijhouden van mensen die willen waken. Iemand kan ook de taak op zich nemen om de mensen te ontvangen die op de aangegeven tijd overdag langskomen. Degene die het dichtst bij de gestorvene staan hebben in deze dagen genoeg aan hun hoofd. Zij doen er goed aan zoveel mogelijk praktische regelingen uit handen te geven. Dan vinden ze zelf de rust en de de tijd om regelmatig bij de gestorvene te zijn

Willem Zeijlmans van Emmichoven over waken:

Vaak komt de vraag op, wat men moet doen in de eerste dagen en nachten na het sterven, in de tijd dus voor de crematie of begrafenis.
 Dat men gedurende die drie of vier nachten bij de dode waakt is in onze kringen vrij algemeen gebruik geworden. Meestal zijn er behalve de naaste familieleden ook goede vrienden, die graag die heilige plicht voor enkele uren op zich nemen.
Wie een dode in die dagen aandachtig gadeslaat ziet duidelijk hoe het levenskrachten-lichaam, dat op het ogenblik van het sterven het fysieke lichaam loslaat, zich langzaam en in verschillende fasen terugtrekt. Pas na drie dagen of drie en een halve dag is die terugtrekking geheel voltooid, zodat het gestorven lichaam dan gereed is om in de elementen van de aarde te worden opgenomen, d.w.z. van de aarde zelf, en water, lucht en vuur.
 Het is goed om bij de gestorvene brandende kaarsen te zetten. Echte waskaarsen verdienen de voorkeur. De kaarsen moeten zo staan, dat hun licht geen schaduwen werpt op het gezicht en het lichaam. Het “rijk van de schaduw” heeft nu eenmaal een grote aantrekkingskracht voor bepaalde demonen.

Men houdt een dergelijke dodenwacht, behalve uit innerlijke behoefte, ook om de dode niet alleen te laten in deze fase waarin het lichaam begint te ontbinden. Of de gestorvene deze begeleiding nodig heeft of niet, is iets wat wij niet kunnen beoordelen.

In de sfeer van het aardse leven weten wij al weinig van elkaar: in de geestelijke sfeer nog minder. Wie verschillende malen bij de doden heeft gewaakt weet, dat de objectieve ervaringen die men daarbij kan opdoen zéér verrassend kunnen zijn.

De innerlijke stemming, die men daarbij heeft is uit de aard der zaak een meditatieve. Wát men gedurende die tijd leest, mediteert en overdenkt is niet in het algemeen te zeggen. Het eigen hart en onze verhouding tot de gestorvene moeten ons daarbij leiden. Sommigen zullen iets willen lezen uit de evangeliën, het hogepriesterlijk gebed (Joh.17) of iets anders.

Anderen zullen een voordracht van Rudolf Steiner willen lezen, die met deze overgang verband houdt.
 Wat men ook leest: belangrijk is in de eerste plaats de sfeer van rust en wijding. De gestorvene aanschouwt in die dagen zijn met klank doorstroomde levenstableau in de levenskrachten, die de ziel kosmisch uitbreiden. Degenen die bij de gestorvenen waken, hebben dáármee niets te maken. Hun taak is alleen te helpen een sfeer te scheppen, waarin zich dit proces in vrede kan voltrekken.

Uit ‘Handelingen rond het sterven’, Debus / Kaçer, ed. Kamerling 2003

Pastorale zorg voor ouderen
Bastiaan Baan

Het klinkt zo gemakkelijk: oud worden en sterven gaat vanzelf. Oud worden en sterven behoren tot de weinige zaken in het leven waar je geen moeite voor hoeft te doen. Het is ongeveer het enige wat zeker is in het leven: we worden allemaal vanzelf ouder en sterven.

De biologische werkelijkheid staat echter in schril contrast met de beleving van ouderdom en dood. In mijn meer dan 25-jarig priesterschap is mij door oude mensen in alle toonaarden verteld: ‘Dit is het moeilijkste stuk van mijn leven.’ En ook: ‘Ik ben niet geholpen met alleen mijn natje en droogje’, waarmee bedoeld wordt dat de fysieke zorg weliswaar op redelijk peil is, maar dat in een tijd van uiterlijke welvaart nog wel eens vergeten wordt dat psychische en geestelijke zorg ook broodnodig zijn. Men voelt zich in de kou staan.

In kringen van hulpverleners klinkt nogal eens de dooddoener voor het sterven: ‘Je moet alles loslaten.’ Ook dat klinkt gemakkelijk, maar het is in de belevingswereld van kromgebogen, stokoude mensen een onoverkomelijke hindernis… Hoe doe je dat? Kun je dat leren? Hoe zou de hulpverlener ooit kunnen reageren op de vraag: Doe het eens voor!

Waarom is loslaten zo moeilijk?

Veel oude mensen zijn in hun beleving niet meer helemaal HIER, maar ook nog niet helemaal DAAR. De fysieke steun en de steun van de herinnering vallen weg, het reactievermogen en de fijne motoriek worden minder; een gevoel van onzekerheid en desoriëntatie maakt zich van hen meester. Iemand drukte het zo uit: ‘Ik ben niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch incontinent.’

Wanneer je dementerende ouderen begeleidt, merk je hoe pijnlijk dit proces voor de betreffende zelf is. Dan kan er gezegd worden: ‘Ik ben alles kwijt. Mijn geest is weg. Daar lijd ik het meest onder. U ziet me hier nu wel zitten, maar ik ben helemaal niet hier. Ik ben eigenlijk al daar.’

Op fysiek, psychisch en geestelijk gebied treden ‘verhuisproblemen’ op.
In de fase van nog relatieve zelfstandigheid kan een eerste pastorale hulp bestaan uit het laten vertellen en opschrijven van de biografie, de terugblik op de levensloop. Wanneer de betreffende niet meer in staat is om zijn verhaal op te schrijven, vertelt hij zijn levensverhaal en ik schrijf het op. Bij een volgende gelegenheid lees ik het voor – waarbij de hoofdpersoon nog wijzigingen in zijn levensverhaal kan aanbrengen. Dit is tevens het materiaal voor een toesprak bij de begrafenis of crematie, waardoor het verhaal in zekere zin autobiografisch wordt.
In dit stadium kunnen ook gesprekken over de eigenlijke stervensbegeleiding plaatsvinden, alsmede de ritualen in de Christengemeenschap. Het besluit over wat er in de allerlaatste fase gedaan zal worden, wordt op schrift gezet.
Hierover zijn ook contacten met de familie en anderen, zoals de arts, betrokken vrijwilligers en de verzorging. In dreigende conflictsituaties gaat men rond de tafel. Als hulpverlener leer je door schade en schande: er bestaan niet alleen wijze oude mensen, maar ook eigenwijze; niet alleen beminnelijke bejaarden, maar ook bejaarden waar de dubbelganger – in de psychologie de ‘schaduw’ genoemd – op de voorgrond treedt.

Hindernissen worden vaak nog groter wanneer de dood nadert of wanneer iemand terugkeert van een bijna-doodervaring. Mensen die een bijna-doodervaring hebben doorgemaakt, die, zoals dat heet, ‘op het glazen bruggetje’ zijn geweest, voelen zich soms (zoals iemand na zo’n ervaring zelf uitdrukte) de ‘gelukkigste en tegelijkertijd de ongelukkigste mens van de wereld’. Gisteren waren zij even aan de andere kant met overweldigende geestelijke ervaringen; nu vallen ze terug in een ontnuchterende, pijnlijke werkelijkheid.

Zolang er nog een gesprek mogelijk is, kunnen de ‘vingeroefeningen’ voor het sterven plaatsvinden:

  • De terugblik op de levensloop;
  • Het zoeken naar de rode draad in iemands leven
  • Het bespreken en zo mogelijk afronden van onafgemaakte zaken
  • Het bespreken van het naderende sterven en de ritualen van de Christengemeenschap, zoals bijvoorbeeld het lezen van Johannes 17 en het waken bij de gestorvenen.

Een deel van de voorbereiding kan ook gezamenlijk gedaan worden. In Huize Valckenbosch in Zeist, woonzorgcentrum van de Christengemeenschap, worden door de werkgroep ‘Opgang’ lezingen en gespreks-ochtenden georganiseerd, waar allerlei onderwerpen die met de laatste levensfase en het sterven en dood te maken hebben worden besproken. 
Het wordt pas echt moeilijk in de vierde levensfase. De vierde levensfase (aftakeling en de terminale fase) wordt volgens Hans van Delden, hoogleraar medische ethiek en verpleeghuisarts, veelal ontkend: ‘De dood is bepreekbaar, maar aftakeling niet.’ 
We kunnen vier levensfasen herkennen:

  • eerste levensfase: leren
  • tweede levensfase: werk
  • derde levensfase: pensioen, men is meestal nog vitaal en kan nog zin aan het leven geven.
  • vierde levensfase: verval van krachten.

In deze laatste fase worden we meer dan ooit hulpbehoevend, maar – daarin moeten we ons niet vergissen – sterker dan ooit gevoelig voor wat echt en wat onecht is, wat werkelijke hulp is en wat schijn is.
Dan is het ook de hoogste tijd om de vier R’s weer in te voeren: reinheid, rust, regelmaat en, als vierde, respect. 
Vergis je niet in de taal van terminale patiënten. Zij hebben vaak een eigen beeldtaal. Wij moeten proberen te verstaan wat in de ‘onzin’ die ze spreken betekenisvol is. Er is soms een bepaalde logica in de wartaal die ze spreken. Je moet heel geduldig bij ze te rade gaan, om stapje voor stapje te leren wat ze eigenlijk willen zeggen: ‘Alles wordt heel anders…’ Wat wilde de stervende patiënt duidelijk maken die de broeder, die bij hem kwam vertelde: ‘Kijk eens, mijn hele leven aan mijn voeteneind!’ De broeder zag niets, maar vermeldde het voorval in de rapportage. Enkele uren later was de patiënt overleden. 
Ook op het woordeloos communiceren, moeten we goed letten. Vaak gebruiken stervenden daarvoor beeldentaal. In Huize Valckenbosch kon iemand die in de laatste jaren van haar leven geen woord meer kon zeggen, nog wel heel duidelijk maken wat ze wilde. Deze vrouw had sterk behoefte aan onverdeelde aandacht. Als die niet kwam, maakte ze dat duidelijk. Als zij bijvoorbeeld eten kreeg kwam het wel eens voor dat ze tussen twee verzorgers in zat die vóór haar langs een onderonsje hadden. Het enige wat ze dan deed, was haar armen uitbreiden, om ze als het ware te scheiden. 
Veel mensen zijn in deze periode van ellende buitengewoon ontvankelijk voor ritualen en sacramenten.
De man waar ik over vertelde, die zei: ‘Ik ben de gelukkigste en de ongelukkigste mens van de wereld’, ontving tijdens zijn bijnadoodervaring de stervenswijding. De stervenswijding werd afgesloten met het Onzevader. Deze man was in coma, hij was slechthorend en men had zijn twee gehoorapparaten eruit genomen. Je zou kunnen zeggen: hij was dubbel doof. Tot zijn stomme verwondering zag de priester toen hij het Onzevader sprak, dat de lippen van deze patiënt het gebed woord voor woord meespraken.
’s Avonds werd hij gebeld door een verpleegster, die hem iets wilde vertellen. ‘Toen u vanmiddag het Onzevader sprak, leek het of hij het meesprak. Ik geloofde mijn ogen niet.’

De sacramenten van de Christengemeenschap in de voorbereiding op het sterven zijn: 
de ziekencommunie, het biechtsacrament en de stervenswijding. 
Gewoonlijk is het rituaal bij de uitvaart de laatste hulp, ‘als een handtekening die de brief besluit’. Zo wordt een uitvaart wel omschreven. Maar bij deze laatste hulp behoort ook eerste hulp. In sommige religieuze stromingen wordt de sterfdag ook wel ‘dies natalis’, de geboortedag genoemd. Eerste hulp voor de (pasgeboren) geest is het lezen van het evangelie voor een gestorvene, tijdens het waken en ook daarna. In het rituaal van de begrafenisdienst wordt niet alleen gesproken over het levenseinde, maar ook over een nieuw begin – van het leven na de dood.

Door Bastiaan Baan, geestelijke in de Christengemeenschap
Dit is het verslag van een lezing, die Bastiaan Baan hield in Huize Valckenbosch.

Het levenseinde
Bastiaan Baan

Het begin van het levenseinde
  • Excarnatieproces, onzekerheid en angsten: de fijne motoriek en de steun van de hersenen, die je de herinnering geven, beginnen je te ontvallen. De oriëntatie in ruimte en tijd valt weg: je bent niet helemaal HIER maar ook niet helemaal DAAR. Dat gaat bijna altijd gepaard met onzekerheid en op een gegeven ogenblik ook met angsten. Het lichaam begint gebreken te vertonen. Alles wat van buitenaf komt dringt ongehinderd naar binnen.
  • Communicatie: de taal van stervenden kan een boodschap inhouden. De non-verbale communicatie spreekt soms boekdelen. Zelfs zonder bewegingen kunnen ouderen, dementerenden en stervenden in dat laatste proces zonder woorden iets zeggen.
  • De dubbelganger: kort voor het levenseinde verschijnt en verdwijnt dit wezen, dat alles wat met onze schaduwzijde te maken heeft, in zich verzamelde. Het kan het allerlaatste stukje van het leven niet meemaken. Wanneer de dubbelganger iemand verlaten heeft, ziet de toekomst er plotseling rooskleurig uit, ziet de stervende er als bevrijd, als verlost uit. Er is alleen vrede.
  • Verlies: alles wat met de weg naar het sterven te maken heeft, is verbonden met verlies van datgene wat je fysiek en in je levenskrachten verbindt met de aarde en wat je in de zielekrachten verbindt met de maatschappij om je heen. Niets van wat wij hebben gaat mee door de poort van de dood, alleen wat wij zijn.
  • Winst: wat voor de aardse wereld een verlies is, betekent echter voor de ander kant winst. We hebben daarvoor de inzichten van een geschoolde helderziende nodig, om te begrijpen wat er in werkelijkheid gebeurt.
  • Verzorgen: de stervende vrijlaten, weinig meer aanraken. Eerst kijken, voordat je iemand verzorgt, stoor hem niet in zijn proces. Maar wel de zorg geven die nodig is – zoek de middenweg.

 

Vingeroefeningen voor de toekomst – hoe bereid ik me voor?
  • Bewust afstand doen van je verworvenheden. (Lijkwaden worden zonder zakken genaaid.) Je moet alles afleggen vóór je door het oog van de naald gaat. Wat kun je doen om willens en wetens arm te worden op die weg, om niet alleen de laatste belevenissen, maar ook de eerste ‘bestervenissen’ bewust door te maken?
  • Verwachtingsvol leven: de belangrijkste opgave in deze periode is verwachtingsvol leven, als een kind dat zich verheugt op de kerstboom achter de deur. Ieder ogenblik kan mij iets nieuws schenken, ook in de armoede, ook in de ontbering (Steiner).
  • Liefde op het laatste gezicht: nog één keer kijken naar de mensen die je dierbaar zijn, maar ook naar hen die je niet dierbaar zijn. Als het de laatste keer is, zien ze er misschien anders uit (Steiner).
  • Leren loslaten: waarom is dat zo moeilijk? Loslaten begint eigenlijk al vóór de geboorte: je moet de zielenwereld, de baarmoeder verlaten. Nu komt het loslaten van schuldgevoelens, van dierbaren, van verworvenheden.
  • Leren vergeven: met een daad van vergeving wordt ons beider last, die op onze schouders rust, lichter. Daarom is het zo ongelooflijk belangrijk om tijdens het leven, nu, die daad van wat iemand anders mij heeft aangedaan te vergeven, omdat het na de dood niet meer kan.
  • Leren overzien: oefening door terugblik op de dag, in omgekeerde volgorde. Jezelf een termijn stellen (5 a 10 minuten). Het zoeken naar de rode draad in je leven,Het bespreken en zo mogelijk afronden van onafgemaakte zaken.Het bespreken van het naderende sterven en de ritualen van de Christengemeenschap, zoals het lezen van Johannes 17 en het waken bij de gestorvenen.

Sacramenten rondom het overlijden
Arie Boogert

Elk sterven heeft zijn eigen uur. Geen sterfproces verloopt precies als een ander. Het is dan ook niet eenvoudig om het juiste moment te kiezen om de geestelijke te waarschuwen voor de laatste hulp aan de stervende. Mensen die een zieke, een stervende al langer hebben begeleid voelen gewoonlijk het beste aan wanneer de laatste fase van het sterfproces is begonnen. Vaak duurt het dan nog een paar dagen voordat de dood intreedt. Maar niet zelden blijven er alleen nog enkele uren, als we eenmaal hebben gemerkt dat het sterfproces is begonnen. De tijdig gewaarschuwde geestelijke kan deelhebben aan dit proces.
De laatste dagen en uren voor het sterven staan heel duidelijk in het teken van de overgang. De stervende trekt zich steeds meer in zichzelf terug. We ondersteunen deze overgang door de stervende innerlijk de ruimte te geven. En we zorgen ervoor dat het nu ook uiterlijk rustig is rondom de stervende. Aan deze tot rust gekomen omgeving voegt de geestelijke nu de sacramenten toe. Zij helpen om de stap uit het leven te doen. De stervenswijding wordt voorafgegaan door een laatste gesprek met de geestelijke, dat wordt bekroond door de woorden van het sacrament van de biecht en door de laatste communie.

Eerst zal de geestelijke met de stervende alleen willen zijn. Korter of langer kijken zij beiden terug op het leven. Zijn er dingen die nog gezegd moeten worden? Wat kan er voor de al geopende poort van de eeuwigheid nog worden toegevoegd aan dit leven? De woorden van het sacrament van de biecht brengen voor het laatst de zo eenvoudige en fundamentele oriëntering voor al het doen en laten van een mens op aarde.
Dan volgt de laatste communie. Brood en wijn geven de ziel nu nog eenmaal de kracht, de macht van de dood in de ziel te weerstaan. Allen die met de stervende verbonden zijn kunnen in deze communie delen.
En zij kunnen ook aanwezig zijn bij de stervenswijding, als de stervende dat wil.
Want nu wordt de ziel voorbereid op de naderende dood. De woorden van het Hoge-priesterlijk gebed uit het evangelie van Johannes klinken. De stemming hiervan bevestigt: nu is het uur gekomen. Laat nu de liefde die de dood overwint deze mens dragen op zijn weg de dood in. Een drievoudige bekruising met olie op het voorhoofd bekrachtigt dit. De drie aan de bekruising voorafgaande gebeden zijn schreden op de weg naar het nieuwe bestaan. Eerst moeten wij vrij worden van de omhulling van het lichaam. Dan gaat het erom een nieuw dragend hulsel te ontvangen. De belofte van Christus begint in vervulling te gaan, deze ziel te geleiden op het uur van haar dood. De warme omhullende kracht van de olie helpt de ziel zelfstandig te worden, vrij te komen van het lichaam. De kracht van Christus, die zelf de dood heeft overwonnen, ondersteunt deze ziel op haar weg naar haar nieuwe bestaan. Het is goed wanneer deze drieslag van biecht, communie en stervenswijding rustig kan uitklinken. De stervende heeft nu, meer dan ooit, rust nodig.

Soms wil het lot dat alleen de stervenswijding kan worden voltrokken, bijvoorbeeld als het bewustzijn de stervende reeds grotendeels heeft verlaten of wanneer de dood zich heel plotseling aankondigde. Maar zelfs dit is niet altijd mogelijk. Wij aanvaarden dit gegeven, want het behoort tot het lot van deze mens. Zoals het tot het lot van anderen behoort, helemaal alleen of gewelddadig te sterven.
Hoe meer voorbereiding er tijdens het leven was op het ontvangen van deze sacramenten, des te beter. Daarbij moge duidelijk zijn dat het lidmaatschap van de Christengemeenschap geen voorwaarde is om deze sacramenten en ritualen van de Christengemeenschap te kunnen ontvangen. Wel is van belang dat de geestelijke tevoren al regelmatig contact met de stervende heeft gehad, om vanuit deze verbinding de ritualen te kunen voltrekken.
De sacramentele begeleiding van het einde van het leven vraagt om een biografische voorbereiding die tevens helpt om dit ogenblik te objectiveren. Is dit gebeurd, dan zou, als de omstandigheden dit meebrengen, ook een andere geestelijke het sacrament kunnen voltrekken. Juist omdat dit ogenblik persoonlijk werd voorbereid kan het persoonlijke weer wegvallen.

De dienst bij begrafenis of crematie

Anders dan de stervenswijding is de dienst bij de crematie of begrafenis geen sacrament. Sacramenten zijn bijzondere, heilige handelingen die in hun zevental horen bij heel bepaalde situaties in ons leven, van ons lot. Zij voegen toe wat ‘van nature’ in zo’n situatie niet aanwezig is, de geestelijke component, de spirituele realiteit van zo’n ogenblik. Deze zo heiligend en genezend. Een sacrament is er dan ook alleen voor levenden. De dienst bij de begrafenis brengt de overgang naar het nieuwe bestaan in het bewustzijn, bij zowel de levenden als de gestorvenen. Dit wekken van bewustzijn vraagt erom, in het leven te zijn voorbereid. De gestorvene moet zelf tijdens zijn leven aan een geestelijke te kennen hebben gegeven zo’n dienst bij zijn begrafenis te wensen. Gemeenten van de Christengemeenschap stellen kaartjes ter beschikking waarop men zijn wensen kan vastleggen.
Bij uitzondering komt het voor dat de nabestaanden samen met de geestelijke moeten proberen na te gaan of de gestorvene inderdaad de wens had dat deze dienst bij zijn begrafenis wordt gehouden. Voelde de gestorvene dat het rijk dat hij met de dood betreedt zijn ‘geboorteland’ is? Het land dat wij met de geboorte verlaten, dat wij stervende opnieuw betreden door een geboorte in de werelden van de geest? Als men deze vragen bevestigend kan beantwoorden, kan de dienst bij de begrafenis worden voltrokken.

De dienst voor de overledene 1)

Het levensproces van levenden en gestorvenen krijgt zijn eerste vorm in de dienst voor de overledene. Met de hulp van de dagelijkse godsdienstoefening, de mensenwijdingsdienst, bundelen wij denkend aan de gestorvene onze gedachten en gebeden. Wij willen onze nog zwakke gedachten, die ons met deze dierbare mens verbinden, opdragen aan Christus, die ze kracht zal geven. Want na zijn opstanding heeft voor hem de scheiding die de dood brengt niet meer bestaan. Hij kent die grens niet en leeft gelijkelijk in de beide werelden die voor ons zo verschillend zijn. En hij, die de zielen geleidt in de wereld die zij zojuist hebben betreden, brengt ons ook tot God de Vader.
In deze dienst voor de gestorvene willen wij onze gebeden, gedragen door offervaardigheid, deel laten zijn van de wereld van God. Zo bidden wij dat God de gestorvene mag opnemen in Zijn levenssferen. Dat de gestorvene de adem van het licht mag voelen, mag worden doordrenkt van het licht van het leven dat geen dood kent.
Het licht dat straalt in de hoogten van de geest, het woord dat klinkt in het rijk van de ziel, de openbarende kracht van de genade: dat alles moge deze ziel vinden nu zij haar weg in de hemelen begint te gaan. Dit biddend, houden wij deze dienst voor de overledene gewoonlijk op de zaterdag die volgt op de begrafenis. De communie ontvangend willen wij onze verbinding met Christus, die deze ziel geleidt, versterken.

 

Tekstgedeelten hierboven zijn met toestemming ontleend aan ‘Altijd scheiding, altijd weer begroeten: over het sacrament van de stervenswijding in de Christengemeenschap’, van Arie Boogert. ISBN 90-6238-345-9
Dit boek is alleen antiquarisch verkrijgbaar.
Een recent boek hierover is ‘Rondom het sterven’, geschreven door Myriam Driesens, zie de rubriek ‘Boeken’

1) De dienst voor de overledene kan alleen gehouden worden voor iemand die bij leven met de mensenwijdingsdienst verbonden was.

Leven na de dood
als weg naar een nieuwe geboorte

Margarete van den Brink

In dit kleine boekje heeft Margarete van den Brink de lezing uitgewerkt, die zij enige tijd geleden hield bij de conferentie ‘Licht op het levenseinde’. Beknopt en helder maakt zij duidelijk wat er gebeurt als je sterft en hoe het daarna verder gaat. We beleven een terugblik op ons leven, verwerken wat er gebeurd is, komen steeds verder weg te staan van het aardse leven. We krijgen op deze tocht een liefdevol geleide van een geestelijk lichtwezen. Het is een weg van loslaten, van leren en van inzichten en intenties opdoen voor een volgend leven. Dit boekje kan een gevoel van vertrouwen geven, dat het aardse leven en het leven daarna met elkaar in een groot verband staan. Dat maakt wellicht dat we ons bewuster en gerichter op ons eigen sterven kunnen voorbereiden.

 

Uitgever Nearchus
2014

 

Broederschap tussen levenden en gestorvenen
Bastiaan Baan

Bastiaan Baan

schilderij Mieke Fielmich

Verbondenheid met gestorvenen is in deze tijd een vraag, in vroegere culturen was het een vanzelfsprekendheid. Tot ongeveer twee eeuwen geleden waren samenlevingen verbonden met gestorvenen. Dit contact was een doorslaggevende cultuurfactor. Dat is te zien in de zogeheten dodenboeken uit Egypte en uit Tibet, in de voorouderverering en aan cultuurgoed dat we in musea kunnen bekijken, zoals mummies.
Nu is het geen cultuurfactor meer. Voor het eerst staan de gestorvenen in de kou, collectief. Men doet alsof ze er niet meer zijn, men sluit ze buiten.  Ik mag op deze bijzondere plaats een lezing houden, een plek waar wel een bewustzijn van en een cultuur voor de gestorvenen is. Hier is zorg voor stervenden en gestorvenen. Ik koester een stille hoop dat er in deze constellatie aan verder gewerkt kan worden.

We kunnen ons afvragen hoe we dat dan doen, broederschap met gestorvenen cultiveren? En hoe zij dat doen? Is er verschil tussen pas-gestorvenen en degenen die zijn thuisgekomen in die andere wereld?  Al vanouds werd de sterfdag ‘dies natalis’ genoemd, de ‘geboorte-dag’. De pasgestorvene is als een pasgeboren baby. Kort voor zijn onverwachte sterven schreef een vijftienjarige een gedicht:

Twee geweven handen
ontvouwen zich als twee vleugels.
Een onverklaarbaar licht.
Vreugdekreten, ongehoord:
ongeboren wezen.
Afgezonderd mens zijn,
hulpeloos geplant.

Er spreekt een aanvoelen uit van wat er stond te gebeuren.

Een pasgestorvene is met al zijn vezels verbonden met ieder die in zijn leven, zowel ten goede als ten kwade, een rol speelde. De gestorvenen kunnen in de eerste tijd na hun overlijden over de schouder meekijken, signalen geven.

Een collega had geldzorgen en was van plan zijn viool te verkopen om brood op de plank te krijgen. ’s Nachts stond zijn pasgestorven vader voor hem en zei op zijn karakteristieke wijze: ‘Je laat het!’. Een dag later kwam er uitkomst in de financiële problemen. De gestorvene stuurde bij vanuit een ander inzicht in de situatie.  Dit duurt een ‘gestorvenen-jaar’, een periode van verbonden-zijn bij de gratie van het terugkijken op het eigen leven. Als de gestorvene dat voorbije leven heeft kunnen loslaten kan hij naar een ander gebied opstijgen.

Voor recent gestorvenen is het aanknopingspunt het lief en leed wat gedeeld is, uit het dagelijks leven gegrepen. Dit kan gebeuren vanuit een aantrekkingskracht, zowel vanuit een liefde-relatie, als vanuit de hindernissen die je samen had. Herbert Hahn, een jonge leraar op de eerste Vrije School in Stuttgart, kwam bij Rudolf Steiner n.a.v. ervaringen met zijn overleden vader. De herinnering hoe zijn vader hem op zijn 15een zakhorloge had gegeven vormde de verbinding. Rudolf Steiner zei: ‘Juist door sterk gekleurde ervaringen kan contact ontstaan. De gestorvene schildert vanuit de andere zijde mee.’  Op dit gebied zouden we  als het ware expressionisten moeten worden.

Hoe concreter de verbinding bij leven was, des te concreter de verbinding na het sterven kan worden. We kunnen dicht bij huis beginnen.  Een werkster vertelde hoe zij na het sterven van haar stiefvader met hem omging. Aan het einde van de dag nam ze zijn foto en praatte tegen hem. ‘Dag stief, hoe gaat het nu met jou? Weet je nog van toen en toen?’ Nadat ze enkele herinneringen had opgehaald,vertelde ze hoe het met haar ging. Ze droomde elke nacht dat ze een berg op klom, naar een kasteel. Ze wandelde naar binnen en kwam in de eerste zaal, waar mensen zaten die als van was leken. In de tweede zaal was het leeg. In de derde zaal vond zij haar stiefvader, springlevend. ‘Je bent toch dood?’ ‘Nee, waar ik ben, bestaat de dood niet’. Dan aten en dronken ze samen. Zo ontstond een onbekommerd zoeken, vanuit kleurige, levendige herinneringen.

Rudolf Steiner zei: ‘Wat ons na aan het hart lag, kleurt de gedachte zo, dat het op het moment van inslapen naar de overledene toestroomt’. Dat vraagt om een actieve ontvankelijkheid, zonder vooroordeel. Zowel activiteit als ontvankelijkheid zijn nodig om een begin te maken, in een pendelslag tussen nabijheid en distantie.

Friedrich Rittelmeyer droomde een paar jaar na de dood van Rudof Steiner, dat hij in een tunnel aan het hakken was met een hamer. Dan hoort hij vanaf de andere kant ook kloppen. Steiner spreekt: ‘Volhouden, Rittelmeyer, ik kom van de andere kant‘.

De ontvankelijke zijde kunnen we herkennen bij de predikant J.F.Oberlin (1740-1826), die in de woestenij van het ‘Steintal’ in de Vogezen een gemeente probeerde op te bouwen. Zijn werk is ondenkbaar zonder zijn ‘Geistes-Ehe’. Hij is 16 jaar lang gelukkig getrouwd, als zijn vrouw bij de geboorte van hun negende kind een voorgevoel heeft en afscheid van hem neemt. Hij is vertwijfeld als zij een paar dagen later sterft. In die opengebroken stemming hoort hij na negen dagen: ‘Ik zal om je heen zijn’. Dit was het begin van een geestelijk huwelijk van negen jaar. Iedere nacht om drie uur, op een vast tijdstip, wekt ze hem, door zijn pink aan te raken. Negen jaar lang duurt deze intensieve verbinding. Overdag is hij heel praktisch bezig, helpt aardappelvelden te ontginnen, bomen te planten, straten aan te leggen. ’s Nachts houdt hij in dagboeken bij hoe de wegen zijn van gestorven gemeenteleden. Een burger van twee werelden. Na negen jaar bemerkt hij een veel grotere distantie tot haar. Is zijn vrouw in een andere fase beland? Rudolf Steiner zegt hierover: ‘Na een geest-jaar – dat is de tijd die een gestorvene in het zielenrijk moet doorbrengen – wordt de verbinding die er tot dan toe bestond met de zielenwereld tot een verbinding met de geest-wereld’.

Als ons leven 90 jaar heeft geduurd, zal de periode in het zielenrijk, het kamaloka, ongebeer 30 jaar duren. De gestorvene wordt wijs, zijn zieleroerselen spelen geen rol meer, het zielelichaam wordt afgelegd. Alleen het eigenlijke wezen blijft voortbestaan. Concrete aanknopingspunten uit het voorbije leven werken nu niet meer. De gestorvene heeft ander voedsel nodig. In deze fase doet het er niet meer toe of degene die contact zoekt een bekende is. Het contact hangt ervan af of ik in staat ben mij onzelfzuchtig in het leven van de ander te verplaatsen.

Doorslaggevend lijkt dat we kunnen aanleunen tegen gestorvenen die inmiddels wijs zijn geworden. Hun inzichten hebben we nodig om houdbare besluiten te nemen. Als we zo de verbinding cultiveren kan dat heel productief zijn. We kunnen gestorvenen helpen door het voorlezen van spirituele gedachten, doorvoeld door kleurige gevoelens, die voor hen voedend zijn. Onze tijd is vermoedelijk de eerste waarin de gestorvenen aan lege tafels zitten. Nodig is het voortzetten van hun impulsen op aarde. Rudolf Steiner zei:’ Iedere nacht zijn ze om ons heen, maar wat vinden ze? Huis-tuin-en-keuken-zaken, een akker met distels en doornen. Wij kunnen voor hen een tafel dekken door hen onze geestelijke gedachten te sturen’.

De verbinding met één enkele gestorvene kan soms grote gevolgen hebben. Een voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog, dat zijn oorsprong heeft in de Eerste Wereldoorlog: een Engelse officier, Wellesley Tudor Pole, vecht in de eerste wereldoorlog, in de omgeving van Jeruzalem. Hij heeft een gesprek met zijn strijdmakker. Die zegt tegen hem: ‘Ik zal morgen sterven. Jij blijft in leven en zult een nog grotere oorlog meemaken. Wanneer die tijd komt, denk dan aan ons. Geef ons de mogelijkheid mee te werken. Geef ons iedere dag een ogenblik stilte. De macht van het zwijgen is sterker dan jullie denken. Vergeet ons niet, wanneer die oorlog komt’. Tudor Pole overleeft de oorlog  en gaat terug naar Engeland. Als in 1940 de oorlog uitbreekt komt deze vraag van zijn gestorven strijdmakker hem in herinnering. Hij legt contact met mensen die leiding geven en vertelt zijn verhaal.  Vanaf 26 mei 1940 wordt er bij koninklijk besluit iedere dag om negen uur ’s avonds een minuut stilte gehouden om de doden te herdenken. Drie dagen daarna gebeurt het ‘wonder van Duinkerken’. Een Engels leger van 250.000 man dreigt aan de kust in Frankrijk door de Duitsers ingesloten te worden. Er komt nevel opzetten. Beschermd door de nevel en bij gunstige wind en rustig weer kan dit leger de oversteek over het Kanaal maken. De mensen in het Britse rijk voelen: in die ‘silent minute’ is iets gebeurd. Dat raakt ook de Duitsers. Na de oorlog horen de Engelsen van een veroordeelde Duitse bevelhebber: ‘U had een geheim wapen, dat we niet begrepen. Dat had te maken met het luiden van de klok om negen uur ’s avonds’.
De ‘Big Ben silent minute’ werd 21 jaar lang  elke dag in acht genomen. Van iets wat begon tussen twee mensen kon er regionaal, landelijk en wereldwijd iets groeien van groot belang.

Michael Bauer zei op de avond voordat hij stierf:

‘Wanneer het mogelijk zou zijn, dat de levenden niet meer aan de gestorvenen zouden denken, en wanneer de gestorvenen niet meer aan de geliefde levenden zouden denken, dan zou alle liefde ophouden te bestaan. Maar dat is immers niet mogelijk’.

Geestelijke liefde vormt een brug. Dat is een hoopvol perspectief voor iedereen en voor alle problemen waarvoor we in de wereld staan.

 

Dit is een verslag van een lezing gehouden in Huize Valckenbosch in Zeist.

Opbaren met graszoden
Marijcke van Hasselt

In het algemeen is voor nabestaanden de koeling een onderdeel van de uitvaartzorg waar men nog weinig van af weet. Door die onwetendheid is er snel angst voor verval en geurtjes. Men zal dan afgaan op de adviezen van de uitvaartverzorger. Deze zal meestal voor mechanische koeling kiezen, omdat dit ’t meest garant staat voor goede conservering tot de begrafenis of crematie. Maar is dit aspect het enige wat van belang is voor onze keuze?

Wanneer we uitgaan van wat er in de dagen na het sterven plaatsvindt, kan een andere keuze wenselijk zijn. Het sterven is namelijk niet een gebeuren van één moment, het is een proces. Een proces van het loslaten van de niet-fysieke wezensdelen die tot aan het overlijden met het fysieke lichaam verbonden zijn. Dit proces duurt ongeveer drie dagen. In die periode maakt het levenslichaam, dat onmisbaar was voor het levende fysieke lichaam, zich geleidelijk daarvan los waardoor het fysieke lichaam in verval raakt.
Het loskomen van het levenslichaam gaat gepaard met twee voor de overledene belangrijke gebeurtenissen:

  • hij ziet voor het eerst van buitenaf het eigen lichaam (dat ben ik!)
  • hij ziet de beelden van zijn voorbije leven in één groots panorama verschijnen; want door het loskomen van het levenslichaam komen de herinneringen vrij.

Beide beelden zijn voor de overledene van groot belang voor het verwerken van het voorbije leven tijdens zijn reis in de geestelijke wereld. Steeds kijkt hij daarnaar terug. Daarom is het wenselijk ervoor te zorgen dat dit proces ongestoord plaatsvindt in de hierbij behorende natuurlijke tijdsduur.

Bij mechanische koeling ligt het accent op het snel verlagen van de lichaamstemperatuur. Dit heeft als keerzijde dat door deze snelle koeling het proces van het van-elkaar-losraken van het fysieke lichaam en het levenslichaam vertraagd wordt. Soms is het zichtbaar als een verstarring op het gelaat van de overledene door de te grote koude. Ook kan door de trillingen en de geluiden van het af- en aanslaan van de motor onrust in de opbaarruimte ontstaan, soms ook een koude tocht, beide veroorzaakt door het binnenhalen van onnatuurlijke elementen in een natuurlijk proces. Ook kan het lijken of de overledene door de te grote koude verstard raakt.

Om dit te voorkomen is in Zwitserland een alternatieve methode ontwikkeld, waarmee ook in ons land al jarenlang positieve ervaringen zijn opgedaan. De koelte wordt verzorgd door graszoden, die vochtig gehouden worden met verstoven water, waarin rozemarijn en kwarts opgelost zijn. Dit blijkt in een opbaarruimte te zorgen voor een aangename koele atmosfeer. Wanneer je eerder gewaakt hebt in situaties waarin sprake is van mechanische koeling, is deze methode een weldadige ervaring. Het is of de hele ruimte meehelpt om een heilzame omhulling te scheppen voor de overledene. Evenals tijdens het genoemde proces van loslaten zijn ook hier niet-materieel- waarneembare levenskrachten werkzaam. En die blijken in de meeste gevallen te voldoen.

Deze methode is eenvoudig toe te passen.

Praktische aanwijzingen

De voorbereidingen:

  • Kies een koele ruimte. Het is raadzaam de overledene zo min mogelijk te verplaatsen. Gebruik met betrekking tot de kist en de (be)kleding liever geen kunststof. Houd ramen gesloten.
  • Leg tevoren op de plaats waar het bed staat of de baar komt te staan op de vloer een stuk plastic (evt. vuilniszakken) ter grootte van het bed/de baar.
  • Leg dikke graszoden op 2 á 3 grote dienbladen, bakplaten of fornuisdeksels en plaats die op het plastic. Deze plaggen kun je gewoon uitsteken. Het gras kan na afloop weer op zijn plaats worden teruggelegd.
  • Doe in een plantensproeier met 2 liter inhoud: (regen)water, 20 druppels Weleda kwarts D8 (of het B.D. kwartspoeder, zie slot)en een dopje Weleda Rozemarijn-badmelk. Rozemarijn stimuleert de verdamping, kwarts (bergkristal, silicium) ondersteunt de werking door zijn vormkracht en door zijn lichtdragend en -doorlatend vermogen. Het bijtijds in huis halen van Rozemarijn-badmelk en kwarts is aan te bevelen.
  • Plaats in de opbaarruimte twee bakjes met (regen)water waarin tevoren een paar druppels Weleda Rozemarijn-badmelk zijn gedaan. Als het erg warm is eventueel ook een emmer koud water, dat men 2 x per etmaal ververst.
  • In de 3 dagen:
 Besproei in deze dagen de graszoden 2 x per dag royaal met de kwarts /rozemarijnoplossing. Liefst ’s morgens vroeg bij zonsopgang en midden in de middag. De sproeifles eerst even schudden.

N.B. Opbaren met graszoden bij langduriger opbaring.

Met deze methode kan in de meeste gevallen de hele tijd tot aan de crematie of begrafenis worden overbrugd, uit ervaring vrijwel altijd de eerste drie à vier dagen. Tot voor kort had de begrafenis/ crematie meestal redelijk snel na deze drie-dagen-tijd plaats. Maar in de laatste jaren is de tendens ontstaan (door de mogelijkheid van mechanische koeling) om de tijd tussen het sterven en begraven/cremeren op te rekken. Als zo’n langere tijd onontkoombaar is, is het goed te beseffen dat het overleden lichaam van nature afkoelt en niet meer de temperatuur van de omgeving aanneemt. Ook moeten we ons realiseren dat geur bij het proces van het sterven hoort. We kunnen in het laatste geval gebruik maken van goede natuurlijke geurmiddelen.

Er is dus geen reden om het koelen met graszoden a priori af te wijzen, zeker niet voor de eerste drie à vier dagen. Van dag tot dag kan men controleren hoe de situatie is, en bij een duidelijk vermoeden dat andere maatregelen genomen moeten worden daarvoor zorgen. Zo nodig kan men – na overleg – wel tevoren de mechanische koeling al aanbrengen, en deze pas inschakelen als het nodig is, of na de derde dag.
In geval van een reeds door ziekte, medicijngebruik of ongeval snel ingezet verval van levenskrachten of andere extreme omstandigheden kan vanaf het begin de keuze voor mechanische koeling na het sterven wenselijk zijn. In deze situaties kunnen we dankbaar gebruik maken van de verworvenheden van de moderne techniek.

Steeds geldt echter dat een wakker bewustzijn, duidelijkheid over de gewilde keuze en vertrouwen in deze periode kunnen bijdragen tot het welslagen van wat wordt gewenst.

In plaats van Weleda kwarts D8 kan men ook voor kwarts kiezen dat in de biodynamische landbouw wordt gebruikt voor bereiding van het koehoorn- kiezel-preparaat. Eén portie is goed voor 10 liter. Dit kan men (liefst in lauw) regenwater oplossen door een uur lang om en om links- en rechtsom te roeren met een houten lepel in een emmer, zodat een draaikolk ontstaat. Kwartspoeder moet in een glazen potje op een lichte plek bewaard worden en af en toe even geschud worden.

Verdere informatie is te verkrijgen bij de Vereniging voor Biologisch- Dynamische Landbouw en Voeding, tel. 0321 315937.

Marijcke van Hasselt, Apeldoorn.

 

De 40-dagen-tijd
ritmische geheimen rond het sterven

Marijcke van Hasselt

“Je moet er maar eens op letten, op de 40e dag na het sterven gebeurt er iets.” Dat vertelde iemand eens aan een goede vriend. En deze ontdekte dat dit waar was, ook uit verhalen van anderen, die hij het vroeg of vertelde. Kijk zelf maar eens.

De 40e dag na een sterven is ook in ons land een dag waarop wordt stilgestaan bij een overledene. Hoewel bescheiden in omvang kunnen we toch spreken van een traditie. We ontmoeten het als gebruik in de r.k-kerk, maar ook bij privé georganiseerde bijeenkomsten en in sommige hospices en waakgroepen. Het is een traditie, ondanks dat men over het algemeen niets weet over achtergrond, reden of bron.

Al sinds mensenheugenis heeft het getal 40 kennelijk een eigen specifieke betekenis met betrekking tot een tijdsaanduiding. Veertig dagen is de duur van o.a. de zondvloed, het verblijf van Mozes op de berg Horeb, het verblijf in de woestijn, de vastentijd voor Pasen, de tijd tussen Pasen en Hemelvaart, de bruidstijd, de wittebroodsweken, de kraamtijd, de officiële rouwperiode, de quarantaine. Het eerste lachje van een kind kan je ontdekken op de 40 dag na de geboorte. Veertig dagen is de kritische grens voor een hongerstaker. In de medische wereld wordt 40 dagen of 6 weken algemeen ervaren als een periode nodig voor genezing. Veertig weken duurt een zwangerschap, in veertig jaar voerde Mozes het Joodse volk terug uit Egypte. “Het leven begint bij 40.” Waarom 40?

Alle ritmisch terugkerende gebeurtenissen zijn aardse afspiegelingen van een kosmische werkelijkheid. Dit is gemakkelijker herkenbaar als het ritme met het getal 4 (maanfases),7 (planeten) of 12 (dierenriem) te maken heeft. Maar voor de achtergrond van het ritme van 40 is die oorsprong onduidelijker, alsof het zijn geheim niet zomaar wil prijsgeven. Hier lijkt het kosmische spiegelbeeld alleen in omgekeerde richting te vinden, namelijk vanuit wat t.a.v. deze tijdsspanne op aarde beleefd en herkend wordt. Als we ons daarin verdiepen, zien we dat die periode van 40 (dagen, weken, maanden, jaren) eigenlijk steeds te maken heeft met een periode van eerst een ingrijpende gebeurtenis, vervolgens een tijd van rijping en tenslotte een metamorfose, een overgang naar een nieuwe fase en de vreugde die daarbij hoort.
Heel verrassend kwam bij mijn zoektocht naar het geheim achter het ritme van 40 opeens het kosmisch oerbeeld van het graalsgebaar op: de zon, de zonnegeest, indalende in een maanvormige schaal, een samengaan van het ritme van de 12 stappen van de zon in een jaar langs de dierenriem en het maanritme (28 dagen van volle maan naar volle maan), zoals vanuit de aarde kan worden beleefd. Het is een weergave van de door de opstandingskracht van de zon (de zonnegeest) opnieuw gewekte, omhoog gestuwde maankrachten. Dit symbool is niet aan een bepaalde cultuur of godsdienst gebonden. Men komt het in velerlei culturen tegen.

In de christelijke esoterische literatuur blijkt dit beeld verbonden met een bijzondere, diepe betekenis. Veertig is een incarnatiegetal, iets wil op aarde komen. Het is alsof na een periode van duisternis opeens het licht doorbreekt, dat zich door inwerking van een hogere kracht van binnenuit kon ontwikkelen. In deze hogere impulserende kracht kan de blijvende verbinding van Christus met de aarde herkend worden, de gebeurtenis die wij vieren met Hemelvaart, 40 dagen na Pasen. Dit fundamenteel ingrijpende gebeuren lijkt deze unieke omvormingspotentie in relatie tot getal 40 te hebben vernieuwd en versterkt. Wellicht dat daardoor de werking in onze tijd veel algemener ervaren kan worden.
Vaak vertellen mensen over een opvallende gebeurtenis op de 40e dag, al dan niet in de natuur. In de R.K. kerk wordt een mis opgedragen. In de Oosters-orthodoxe landen wordt de 40e dag gevierd met een maaltijd. In Bulgarije, omdat op die dag de ziel het huis verlaat. In Rusland, omdat de ziel, na 40 dagen rondgedoold te hebben op aarde, de hemelpoort binnen kan vliegen. In Georgië, omdat de ziel dan opgenomen wordt in het paradijs. Ook in de Joodse, Boeddhistische en Islamitische cultuur en bij sommige Zuid-Afrikaanse stammen, staat men stil bij de 40e dag na het sterven. In de periode na het sterven kan de 40-dagentijd dus ervaren worden als bij uitstek vol betekenis.

Wat hier ervaren wordt komt overeen met wat Rudolf Steiner beschrijft als de weg van de ziel na het sterven. Hij geeft aan dat, nadat de overledene in de eerste 3 1/2 dag omringd is geweest door zijn levenspanorama, hij zich in de eerste tijd daarna veelal nog niet kan oriënteren, omdat hij door het licht verblind wordt. Maar vervolgens wordt verteld hoe deze – gesterkt vanuit de geest – dan na die periode zijn nieuwe omgeving opeens bewuster waar kan nemen en zijn weg in de zielenwereld kan vervolgen.

Als we gaan ontdekken wat er in de 40 dagen na het sterven plaatsvindt, kunnen we met des te meer eerbied kijken naar het proces waarin de gestorvene zich dan bevindt en ook vermoeden dat dit soms een zware weg is. We kunnen in deze periode van 40 dagen proberen deze mensenziel te ondersteunen door alleen of in een groep aan de gestorvene te denken, te bidden, hem te bemoedigen en/of een tekst voor te lezen waarin dit proces een rol speelt om zo de ziel te helpen de kracht te ontvangen, die hem vanuit de kosmos en de natuur tegemoet komt.

Het open gaan staan voor dit ritme van 40, daarmee te gaan leven, is een heel verrijkende ervaring. Hetgeen zelf beleefd werd, wordt bevestigd. In de waakgroep Aurora (Apeldoorn, 2000 – 2010) werd – na de waakperiode van de eerste 3 1⁄2 dag na het sterven- elke avond tot de 40e dag op een afgesproken moment door de wakers een spreuk gelezen voor die gestorvene. Op of nabij die 40e dag werd dit in een bijeenkomst afgesloten, werd stilgestaan bij deze overledene en de waakvraag geëvalueerd. Ook heb ik meegemaakt dat vrienden van een overledene op de 40e dag na het overlijden bijeenkwamen en iedereen nog iets vertelde. Juist doordat het omgaan met deze periode van 40 dagen in ons land niet tot een vaste vorm of traditie is gestold, zijn wij vrij hier zelf vanuit eigen inzicht vorm aan te geven.

Als de geest
De aardse omhulling verlaten heeft,
Doorloopt hij na de terugblik, geestesrijken.
Als in een droom tastend,
Schemerende verten.
Hij vindt geen rust in het al
Zonder steun van het lichaam.
Langzaam slechts
Ontworstelt zich bewustzijn.
Nog aardgebonden is de ziel,
Kan zich niet ontdoen van aardse zwaarte.
Smartelijk
Moet zij de loutering voltrekken
En haar zinnen richten op
Zij smelt weg
Tot op het laatst de edele kern rest
Bevrijd van aardse slakken
Het lichtend ik-kristal …..

eerste deel van een spreuk van Gerhard Reisch uit:
Gerhard Reisch, A Book of The Dead, waarin ook de spreuken van Het Dodenboek in Nederlandse vertaling (Bruckfelden, 2005).

De laatste levensfase
en het begin van de nieuwe
– in gesprek met Frank Storm

Het sterven zelf is wat anders dan het leven na de dood, hoewel het er wel mee te maken heeft. Het sterven is onderdeel van een proces: je hebt een leven vóór het sterven en een leven na het sterven en hoewel er een afbreking lijkt te zijn, is er toch een doorgaande beweging.
Het is belangrijk je op het sterven voor te bereiden. Praktische zaken als uitvaart en nalatenschap, maar ook wat Elisabeth Kübler-Ross de ‘unfinished business’ noemde moeten tijdig overdacht en geregeld worden. Op geestelijk/religieus gebied zijn er vanuit de Christengemeenschap de persoonlijk-priesterlijke begeleiding en daarmee verbonden de laatste communie, het biechtgesprek en de stervenswijding. Ook worden speciale diensten bij de begrafenis of crematie gehouden. Het is goed van te voren er over na te denken hoe dit alles een plek krijgt. Hoe kun je het afscheid laten verlopen zoals jij wilt? Na het sterven is je “ik” er immers niet meer en je hebt geen vat meer op de aardse werkelijkheid.

Wat gaat er door mensen heen die zich realiseren dat ze gaan sterven?

Het valt ook mij op dat veel mensen geen angst voor het sterven zelf hebben, maar wel moeite met de weg er naartoe: de aftakeling en het lijden, hoewel het laatste vaak verzacht kan worden. Er kan ook wanhoop en boosheid zijn; mensen kunnen de omgeving heel negatief tegemoet treden. Zelfs degene die iemand liefdevol verzorgt, kan dan onheus bejegend worden. Het is troostrijk om te weten dat je je dat niet persoonlijk hoeft aan te trekken, dat het iets algemeens is. Het is de schaduwkant, het dubbelgangerwezen van die persoonlijkheid dat dan naar boven komt en zich losmaakt – negatief, scherp, intellectueel. In het sterven kan dit zich ongecontroleerd uiten. Oudere mensen kunnen nu eenmaal soms ongegeneerd hun negatieve kant laten zien.
De laatste periode voor het sterven kan ook een periode van rust zijn. Mensen kunnen vol berusting accepteren wat zij in het laatste deel van hun levensweg te verwerken krijgen. Deze mensen worden niet bitter en stralen en zekere soevereiniteit uit. Dan krijg je soms een glimp te zien van wie iemand werkelijk is; dan treedt het hogere ‘ik’ naar voren.
Mensen die in de Christengemeenschap komen, met wie ik tijdens mijn werk als priester te maken had, kunnen meestal open over deze verschillende kanten van het bestaan spreken.
Het is een mij inspirerende gedacht dat het sterven, gezien vanuit het leven na de dood, een stralende gebeurtenis is. Dat het binnentreden in de geestelijke wereld gehuld is in een bijzonder licht en dat je met grote belangstelling terugblikt op wat er gebeurde toen je stierf.

Als priester ben je dienaar van Christus. Bij het voltrekken van de rituelen en gebeden verdicht zich de aanwezigheid van Christus en je probeert je bewustzijn daar op te richten. Het normale contact van mens tot mens wordt verrijkt met het hogere dat dan wil komen, de sterfsituatie wordt doorlaatbaar. Doorlaatbaar worden kan betekenen dat de stervende geestelijke ervaringen heeft, die natuurlijk al eerder los van de priester konden optreden. Vaak is dat een ontmoeting met de al eerder gestorvenen. Als priester verzorg je de stromende verbinding met de goddelijke wereld van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die altijd al in het leven aanwezig waren.
In een sacrament kan de geest zich dus verdichten en kan de liefde van Christus werkzaam worden.
Met het willen ontvangen van de stervenswijding is de acceptatie van het gaan sterven verbonden.
Je wordt je bewust: het sterven is nu mijn levensfase. Ik weet dat mijn weg verder gaat, bevrijd van veel lasten die er voordien waren. Ik kan mijn levenslot in de handen van Christus leggen.
Een vrouw die een levensgevaarlijke operatie moest ondergaan, had voor de zekerheid de stervenswijding gekregen. Tijdens de operatie had zij ervaren dat er een mantel van koesterende warmte om haar heen was. Ze vertelde hierover toen ze was bijgekomen uit de narcose. Dit beeld is me altijd bijgebleven. De helende olie, die met de drie kruisjes een resonantie in zich draagt van het mysterie van Golgotha, en die in drie kruisjes op het voorhoofd wordt aangebracht, geeft een warmteomhulling waarin je je geborgen voelt. Het is een soort licht, een liefdekracht: een zegen.
De kiem die je geworden bent aan het einde van je leven wordt wanneer je de geestelijke wereld binnentreedt door de warmtemantel van de olie omhuld. Het spreekt me enorm aan dat iets wat tijdens ons leven in ons groeide een kiem voor de toekomst na het sterven is. De olie is niet alleen maar een mantel van warmte; hij kan de wezensdelen bij wijze van spreken ‘smeren’, zodat je wat gemakkelijker uit dit leven glijdt. Maar hij kan ook genezen, zodat je nog iets langer op aarde kunt blijven, omdat er nog iets voor je te doen is.
Het is een grandioos moment, maar ook een groot geschenk dat je als priester de stervenswijding mag geven. Je mag iets heel bijzonders in het leven van een ander mens meemaken. Je mag ervaren dat mensen ook ‘ja’ kunnen zeggen tegen het feit dat ze gaan sterven. Het is heel belangrijk dat ze er vrede mee hebben dat ze door de poort van de dood gaan. Het ontvangen van de stervenswijding kan alleen gebaseerd zijn op het feit dat je er ‘ja’ tegen zegt. Er is dan een met geestvervulde berusting, doortrokken van licht en warmte – iets heel bijzonders in de aura van de stervenswijding. Het is de moeite waard om het sterven te wijden. In het leven is de stervenswijding een kostbare gebeurtenis met heel grote dimensies.

Zo kom je uit het voorgeboortelijke leven en de rijkdommen van de kosmos naar het wonder van het aardeleven. Je vouwt jezelf samen en metamorfoseert in de aardse persoonlijkheid na de geboorte. Je leeft en streeft en sterft tenslotte. Je hebt je biografie doorleefd en gebouwd.
Na de dood wordt de geestkosmos weer zichtbaar voor je en wellicht neem je geschenken mee naar die goddelijke wereld die alles mogelijk maakt: nu, in het verleden en in de toekomst.

Frank Storm is priester in de Christengemeenschap

Innerlijke ontwikkeling en kanker

Matthias Girke

Kanker als ziekte is vaak met beslissende stappen in de innerlijke ontwikkeling verbonden, zowel bij de zieke als bij zijn omgeving. Al langer geleden heeft Elisabeth Kübler-Ross in haar zog. stervensfasen gewezen op karakteristieke ontwikkelingen in de innerlijke uiteenzetting met de ziekte. (1) Deze treden niet alleen op bij doodzieke patiënten, maar, op een vergelijkbare manier, ook bij iedere andere zware ziekte, bij belastende gebeurtenissen en biografische beproevingen van het lot. Deze stervensfasen wijzen op ervaringen in de psychische binnenwereld van de mens, waaraan een verborgen geestelijke werkelijkheid ten grondslag ligt die in verband staat met stappen in de ontwikkeling en rijpings-processen van de individualiteit. In samenhang met de lichamelijke ziekte ontwikkelen zich rijpingsprocessen in deziel, die leiden tot stappen in de geestelijke ontwikkeling.

  1. Weten dat je ziek bent

Kanker wordt vaak geconstateerd op een moment dat de betrokkene nog nauwelijks last heeft van symptomen en zich gezond voelt. Alleen uiterlijke resultaten van het onderzoek zoals de verhoogde PSA-waarde, de verdachte mammografie-uitslag of de coloscopisch vastgestelde darmtumor wijzen op de ziekte. Het gaat om een stadium waarin het onderzoeksresultaat van de ziekte op de voorgrond staat. De patiënt en de arts kijken met een vreemd aandoende objectiviteit naar de resultaten van de beeldvormende en histologische diagnostiek. In deze fase van de ziekte ontstaat in de ziel de tendens om de ziekte te beschouwen als iets wat niet bij je hoort en haar te ontkennen. Ontkennen, het niet willen toegeven dat je ziek bent, zijn uitdrukking van vrees en angst die de ziekte afwijzen en de patiënt willen terugbrengen in zijn  gewone leven waarin hij amper merkte ziek te zijn.

2.  Het beleven van de ziekte

Deze eerste ontkenningsfase van inherente angst voor de ziekte verandert op slag, wanneer de ziekte niet langer alleen maar ‘geweten’ wordt, maar werkelijk ervaren wordt. De uitslag van het onderzoek van de net geconstateerde ziekte heeft aanvankelijk iets statisch; in de volgende fase komt de eigenlijke aard van de ziekte tevoorschijn in de progressie van de ziekte, in slechtere onderzoeksuitslagen. Tegenover dit beleven van het ziekteproces ontwikkelt zich in de innerlijke uiteenzetting met de ziekte de fase van het ‘vechten’. De voortschrijdende ziekte kan niet meer ontkend worden, de dynamiek ervan vraagt om een ‘strijd’ met de ziekte. Er worden in deze fase veel strategieën bedacht en ook in allerlei vormen aangeboden, die zich tegen de ziekte richten. Toch merken mensen met kanker vaak dat deze ziekte enerzijds een dreigend, vijandig karakter heeft, maar aan de andere kant ook bij hun leven en hun persoonlijkheid hoort. ‘Waarom zou ik tegen mezelf vechten?’ laat dit dubbele aspect zien. Aan de basis van deze fase van vechten tegen de ziekte ligt diep in de ziel een ‘haat’ tegen de ziekte.

3.   Het lijden aan de ziekte

In een derde fase staat niet meer het weten ziek te zijn of het zich fysiek manifesteren van de ziekte op de voorgrond, maar het psychisch lijden dat de ziekte oproept. Terwijl in de eerste fase de fysieke ziekte-bevinding in het beleven nog ver van de ziel afstond, en daarna het ziekteproces al dichterbij kwam, bereikt het lijden aan de ziekte met de verschillende lichamelijke en psychische klachten nu het innerlijk van de patiënt. De ziekte valt niet meer te ontkennen, ook lijkt het onzeker of de ziekte wel door ‘vechten’ bedwongen kan worden. Het gaat nu om een ‘onderhandelen’, om een overeenkomst om tot een soort coëxistentie te komen. Aan de basis van deze innerlijke uiteenzetting met de psychische dimensie van de ziekte ligt een diepe twijfel aan de nog gehoopte kans op genezing

4.   Zieleduisternis

Uiteindelijk brengt het voortschrijden van de ziekte de mens vaak in een stemming van uitzichtsloosheid en depressie. Er ontwikkelt zich een innerlijke duisternis. Tegelijk is deze fase van de ziekte ook een periode van eenzaamheid. Vele mensen om de zieke heen hebben zich misschien teruggetrokken, omdat het zwaar is om de lijdende patiënt op de oude vertrouwde manier te ontmoeten. Het is ook lastig om in de totaal andere levenssituatie een nieuwe manier te vinden om met elkaar om te gaan. Vaak komen nieuwe mensen in beeld rond de zieke. Ook kan de kring van vertrouwde mensen om de patiënt heen zich innerlijk aanpassen en nieuwe kwaliteiten in de ontmoeting ervaren, die zich onderscheiden van de vertrouwde manier van met elkaar omgaan. In deze fase van duisternis en eenzaamheid ontstaat de vraag naar het ware, onverwoestbare wezen van de mens, naar zijn individualtieti, zijn ik. Er kan een diep weten van deze wezenlijke geestelijke laag in jezelf ontstaan. Vaak vertellen patiënten dat ze een innerlijke gezondheid beleven, die in uiterst scherp contrast staat met hun zichtbaar zieke lichaam. Vanuit deze innerlijke ervaring wordt nogal eens een perspectief ontwikkeld, zoals het oppakken van een studie of andere ingrijpende veranderingen in het uiterlijke leven, dat onwerkelijk en bizar overkomt op de  hiermee  niet vertrouwde omgeving van de patiënt. Dat wat van binnen wordt ervaren – een patiënte zei eens: ‘Ook als ik sterf ben ik toch genezen’ –  laat ontwikkelingen in de persoonlijheid en de ik-ontwikkeling zien. Het wijst op het geestelijk wezen van de mens dat vrij is van ziekte en in die zin ook gezond. De aansporing ‘Ken uzelf’ leeft als een ontwikkelingsmotief in het lot dat de ziekte meebrengt, niet als theoretische zelfreflectie, maar als ontwikkeling en geboorte van het ik-wezen.

5.   Zich oprichten

Zo kun je momenten herkennen waarin de ernstig zieke mens zich begint op te richten, ondanks de ervaring van zieleduisternis en uitzichtsloosheid. Daarbij gaat het om een proces dat voor ieder mens in moeilijk te verwerken levenssituaties een opgave en een uitdaging vormt, overigens ook voor gezonde mensen. Rudolf Steiner noemt deze beproeving de ‘vuurproef’. Bij moeilijke gebeurtenissen in het leven, als alle steun wegvalt en ‘verbrandt’, ziet  de mens zichzelf vaak ‘voor het niets’ staan, er is geen enkel perspectief meer. Alle innerlijke zekerheid, die we aan uiterlijke omstandigheden zoals beroep, positie, gezondheid, erkenning e.d. ontlenen, verdwijnt in deze positie. Er komt een duisternis zonder enig perspectief voor in de plaats, een zwart gat. Als het dan lukt om je uit deze situatie op te richten en nieuwe moed te scheppen, dan lukt het de mens de vele kleine vuurproeven te doorstaan, die een weerspiegeling vormen van de grote vuurproef op de kennis- en inzichtsweg van de mens. “Voor heel wat mensen is het gewone leven zelf al een min of meer bewust inwijdingsproces door de vuurproef. Dat zijn degenen, die zo door vele ervaringen heengaan, dat hun zelfvertrouwen, hun moed en hun standvastigheid op een gezonde manier toenemen en dat ze  leed, teleurstelling, mislukking van iets wat ze ondernomen hadden met zielegrootheid en vooral met rust en ongebroken kracht leren verdragen. Wie op deze manier ervaringen heeft doorgemaakt, die is vaak al, zonder het te weten, een ingewijde; en er is dan nog maar weinig voor nodig om zijn geestelijke ogen en oren te openen, zodat hij helderziende wordt”.(2)

Door de vuurproef verdwijnt al het uiterlijke van de menselijke persoonlijkheid. Al wat afhankelijk is van status en rol valt ten prooi aan de ‘vlammen’ van deze levenssituatie. In plaats daarvan ontwikkelt zich steeds duidelijker herkenbaar de eigenlijke kern van de persoonlijkheid, het geestelijke zelf. Het is op deze weg een grote hulp als zich bezig te houden met basale dingen, zoals het onderscheiden van wat wezenlijk en onwezenlijk is in het leven, het onderscheiden van het vergankelijke en het eeuwige, en met gezichtspunten rond het geestelijke wezen van de mens en zijn levenslot. Als mensen met kanker tijdens de schildertherapie bij thema’s uitkomen die zich niet richten op de lichamelijke dimensie van hun ziekte of op de zielewereld met haar verdriet, maar op het geestelijke perspectief, dan ontstaan in het schilderen motieven (bijv. uit de sprookjes van Grimm) die met het onvergankelijke wezen van de mens in verband staan. We kunnen daarbij gadeslaan hoe door het kunstzinnige proces theoretische voorstellingen en overtuigingen over het lot en het mensenwezen een diepe ervarings-dimensie en werkelijkheid krijgen, die innerlijke, gezondmakende krachten wekt. Er worden inhouden verwerkt en ‘geschapen’, waarvan de patiënt weet dat ze waar zijn en waar hij in kan ‘geloven’.  De sterkste bron voor de geloofskrachten van de mens is het kennen, het inzien (3). Gewoonlijk staan weten en geloven zo in tegenstelling tot elkaar, dat het geloven begint waar het weten ophoudt. Maar nu verbinden geloven en weten zich met elkaar, doordat de geloofskrachten van de ziel ontluiken aan het door inzicht gewonnen weten. Op deze manier is het geloof een basiskracht in de ziel, die zekerheid schept ook voor die dingen die niet dagelijks of op ieder moment opnieuw tot inzicht gebracht worden. De geloofskracht van de mens werkt op deze manier gezondmakend op de menselijke ziel en het astrale organisme, hij geneest kwetsuren en wonden die door het lijden aan de ziekte ontstaan en helpt om in de verborgen diepten van het astraallichaam van de mens het geestzelf (4) te ontwikkelen. Kennis en inzicht dienen niet meer ter verkrijging van informatie, van weten. Inzicht krijgt een helende kwaliteit, wordt tot helende, heilige Geest.

6.   Het vinden van een weg

Op de momenten van het zich oprichten, die op de weg door de ziekte heen voorkomen en die ook ontstaan als de ziekte nog in dit aardeleven overwonnen kan worden, volgt nòg een kwaliteit. Het gaat hier om het ‘vinden van een weg’ na dit opstaan, als de individualiteit zich uit de zieleduisternis opricht. In de eerste periode waarin een mens zich uiteen te zetten heeft met kanker ontstaat vaak onzekerheid en angst; men zoekt steun bij wat de artsen aanbevelen. Vaak leidt dit tot vormen van therapie die de patiënt aan zich laat gebeuren omdat de arts ze heeft aanbevolen, hoewel hij niet volledig achter deze therapie kan staan, doordat hij de zin en de draagwijdte ervan niet kan overzien. In het verdere verloop van de ziekte treedt hierin een wezenlijke verandering op. Tegenover de competentie van de arts die informatie geeft, ontwikkelt zich de ervarings-competentie van de patiënt. Vanuit een asymmetrische relatie tussen de patiënt en zijn arts (5) ontstaat een nieuwe cultuur van elkaar ontmoeten, waarbij de patiënt gelijkberechtigd in de relatie komt te staan. Op grond van de ervaringen van de patiënt ontwikkelen zich steeds duidelijker bepaalde voorkeuren, doelstellingen en waardebepalingen inzake mogelijke vormen van therapie. Vaak kunnen die niet oorzakelijk worden afgeleid, maar ze kunnen toch als authentiek en behorend bij deze specifieke patiënt worden ervaren. Het is een soort gezond ‘aanvoelen’ van wat therapeutisch mogelijk ‘juist’ of ‘goed’ zou kunnen zijn. Aan deze ‘instincten’ ligt een bijzondere geestelijke werkelijkheid ten grondslag. Aan het ervaren van de klachten en het lijden dat de ziekte met zich meebrengt, ontworstelt zich een innerlijke zekerheid rond het herstel. Naarmate de patiënt de symptomen van de ziekte ervaart, des te meer kan, als in een soort pendelslag, het weten over herstel ontstaan. Volgens de beschrijving van Rudolf Steiner komt, na het aardse lot van het doormaken van deze ziekte, in het leven na de dood de ervaring gezond geworden te zijn. (6) In het ‘aanvoelen van de juiste weg’ verschijnt al tijdens het doormaken van de ziekte deze ervaring, te weten hoe je gezond kunt worden, als een oerbeeld van de genezingsprocessen. De arts heeft een speciale oplettendheid nodig voor deze motieven en moet ze ook onderscheiden van vertekende vormen ervan.

Het winnen van nieuwe grond onder de voeten, nu de oude, gewone levenszekerheid niet meer kan dragen, is een wezenlijk motief van de zog. ‘waterproef’. Als de grondvesten van ons zijn ons niet meer dragen, maar a.h.w. ‘water-achtig’ worden, moet een nieuwe bodem gevonden worden. In het alledaagse leven staan we niet alleen voortdurend voor de uitdagingen van de vuurproef, maar net zo goed voor die van de waterproef. Nieuwe grondslagen, doelstellingen en het aanvoelen van mogelijke richtingen moeten tot een stabiele basis worden: “Men noemt de proef de waterproef, omdat de mens bij de activiteit in deze hogere gebieden de steun van de uiterlijke verhoudingen ontbeert, net zoals bij bewegen in het water waarbij je geen grond voelt, deze steun ontbreekt… Wie zich de vaardigheid heeft verworven om hoge principes en idealen te volgen zonder daarbij te denken aan de persoonlijke stemming en willekeur, wie de kunst verstaat om zijn plicht te vervullen ook wanneer neigingen en sympathieën maar al te graag van deze plicht zouden willen afwijken, die is onbewust al midden in het gewone leven een ingewijde”.(7)

Het ‘vinden van een weg’, dat kan volgen op het zich oprichten uit de ziele-duisternis, heeft niet alleen persoonlijke consequenties voor de patiënt zelf, het werkt ook doorslaggevend op de de mensen om hem heen. Bij een ziekte, met al het lijden dat dit met zich meebrengt, gaat het niet alleen om het persoonlijke lot van de zieke, maar ook om het lot van de mensen die om de patiënt heen staan. Hoeveel lijden, hoeveel dat nauwelijks te dragen is,  wordt er niet doorgemaakt door de mensen die hun ernstig zieke dierbare verzorgen en begeleiden. In deze menselijke verhoudingen kan nu een wezenlijke verandering optreden. De patiënt beleeft dikwijls, door het hervinden van zijn weg, een diepe dankbaarheid, die zich ook richt op allen die hem in deze fase trouw met helpende hand bijstaan. Als de intensief beleefde twijfel zich nu, met het zich oprichten uit de zieleduisternis, omvormt in een nieuwe innerlijke zekerheid, dan ontstaat uit het ‘haten’ van de ziekte nu empathie en het vermogen lief te hebben. Het komt niet meer aan op de‘strijdvaardige’ aanpak van de ziekte, met het doel haar te overwinnen, maar het gaat nu om de omvorming ervan. Menselijke ontmoetingen worden in deze fase tot een geschenk, en veranderen de verhouding met de arts ingrijpend.  Zo kan deze zich zelfs verdichten tot een soort vriendschap.

Vanuit de zich vaak voordoende positieve liefdevolle en dankbare stemming van de patiënt, die ontstaat omdat hij zijn weg ‘ziet’, gaat een genezende invloed uit op zijn levenskrachten. Verdriet, zorgen en haat verzwakken het etherisch organisme, terwijl zielewarmte en het vermogen lief te hebben sterkend en genezend op dit organisme inwerken. De patiënt lijkt in zijn voelen minder op zichzelf gericht en egocentrisch te worden, er ontwikkelt zich een schenkend gebaar, waarin de grootheid en het unieke van deze mens herkenbaar kunnen worden. In een beeld gevat: vanuit een bewolkt, smartelijk en verdrietig, naar binnen gewend gevoelsleven ontwikkelt zich een zonnig stralende kwaliteit. In de diepte van deze veranderingen leeft, als haar eigenlijke werkelijkheid, een christelijke kwaliteit: het licht en de warmte van de Christus-zon. In deze omvorming van het voelen,  dat zich nu vanuit de alledaagse betrekkingen kan wenden naar het geestelijke en onvergankelijke, wordt een nieuwe kwaliteit van het geestelijke wezen geboren. Rudolf Steiner noemt dit ‘Levensgeest’ (8).

7.   Het vinden van betekenis (zin) in de ziekte

Aansluitend aan het zich oprichten en het vinden van een weg kan een belangrijke verdere stap in de ontwikkeling bereikt worden. Het gaat er daarbij om een vermoeden te krijgen van een doel van de ziekte. Het weten ‘dat alles betekenis heeft’ blijkt al snel niet genoeg kracht te hebben. Het gaat er hier eerder om, actief betekenis – zin – te gaan ervaren tijdens de fase van ziekte en die moedig onder ogen te zien. Vanuit geestelijke wakkerheid kan perspectief, kan kracht ontstaan. Ook hier kent het dagelijks leven situaties, waarin er geen prikkel van buitenaf, geen uiterlijk doel is, en waarin het aankomt op nieuwe besluiten, geboren uit geestelijk aanwezig-zijn: “Bij deze derde proef wordt hem voelend geen doel beleefbaar. Alles is in zijn eigen hand gelegd. Hij bevindt zich in een positie waarin niets aanleiding vormt om te handelen. Hij moet helemaal alleen, vanuit zichzelf, zijn weg vinden. […] Personen die zover zijn gekomen, dat ze, plotseling voor een levensopgave staande waarin ze snel moeten beslissen, dat ook kunnen zonder veel te hoeven nadenken, voor hen is het leven een dergelijke scholing. […] Wie snel bij de hand is om in te grijpen wanneer een ongeluk dreigt, terwijl door aarzeling het ongeluk al zou zijn gebeurd, en wie een dergelijke besluitvaardigheid tot een blijvende eigenschap heeft gemaakt, die heeft onbewust de rijpheid voor de derde ‘proef’  bereikt”.(7, blz.85)

De patiënt merkt hoe zich vanuit de ziekte nieuwe vaardigheden ontwikkelen. Het ontwikkelen van vaardigheden verloopt in biografische ritmes. Zo worden de eerste levensjaren van een kind gekenmerkt door een verbazingwekkende veelzijdigheid in het verwerven van de uiteenlopendste vaardigheden. De tijd aan het einde van het leven lijkt op een heel ander niveau een dergelijke intensivering en verdichting van vaardigheden met zich mee te brengen. Menselijke relaties vertonen juist in deze tijd een rijping die verwondering wekt. Onder gezonde omstandigheden had het zeker jaren gekost om samen zover te komen. Op dezelfde manier kunnen innerlijke kwaliteiten groeien en ook zichtbaar worden, op de momenten dat niet de schaduwwezens, die ieder mens begeleiden, de overhand hebben. Het gaat om een tijd van jezelf-worden, van rijping en zaadvorming. Juist tegen deze achtergrond valt een wezenlijk licht op euthanasie – een tragische ontwikkeling in de verkeerde richting.

Wanneer men een vermoeden begint te krijgen van de zin van de ziekte, ontstaat er hoop en een positieve oriëntatie op de toekomst. Dat heeft niet te maken met een terugkeer naar het verleden, in de betekenis van: ‘hopelijk wordt het allemaal weer net zo goed als vroeger’. De ziekte wordt niet herleid naar de tijd dat de patiënt nog gezond was, het gaat nu om het toekomstige resultaat, de opbrengst van ziekte. Dat is niet alleen van enorme betekenis voor doodzieke patiënten, maar ook voor die patiënten die door zware, belastende fasen zijn heengegaan en nu op weg zijn naar genezing. Zo ontmoet je als arts steeds weer patiënten bij wie het genezingsproces verrassend goed verloopt, patiënten die, door alles wat ze hebben beleefd bij het doormaken van de ziekte, deze innerlijke vaardigheden konden ontwikkelen. Hoop is een wezenlijke basiskracht in de ziel, die, net zoals dit is beschreven voor het geloof en de liefde, genezend kan werken tot op het niveau van het fysieke organisme. Therapeutisch gezien ervaren we vaak, dat gevoelens van hopeloosheid het uiterlijke ziekteverloop dramatisch negatief kunnen beïnvloeden. Daarom moet de grondhouding van een dokter zijn bij een patiënt nooit de hoop weg te nemen.

De genezende krachten van de hoop bereiken het niveau van het fysieke lichaam. In zijn volmaaktheid en wijsheidsvolle bouw is dit lichaam geen mensenwerk. Het stamt uit de goddelijk-geestelijke wereld. Trinitarisch beschouwd, voegt zich bij de Heilige Geest in de fase van het zich oprichten en bij de nabijheid van Christus bij het vinden van een weg nu de kwaliteit van de Vader-god.

Zo komt enerzijds in deze zeven fasen het eigenlijke geestelijke wezen tot ontwikkeling, diep binnenin de mens. Juist kanker als ziekte stelt op een bijzondere manier deze vraag naar het eigen, onveranderlijke wezen. Anderzijds ontwikkelen zich door deze fasen heen genezende kwaliteiten, die het herstel in het astrale, etherische en fysieke organisme krachtig ondersteunen. De innerlijke ontwikkelingsweg van de mens en de genezende krachten voor zijn lichamelijke omhullingen – de salutogenese – hangen nauw samen.

Samenvatting

Ziekte is verbonden met stadia van innerlijke ontwikkeling van de mens. De mens gaat daarbij door verschillende fasen van worsteling met de ziekte. De hier beschreven zeven fasen vormen geen ‘intellectuele’ verwerking van de ziekte, ze verwijzen naar innerlijke stappen in de ontwikkeling, die samenhangen met de ontplooiing van de individualiteit, het geestelijk wezen van de mens. Vanuit het lijden dat de ziekte met zich meebrengt, vanuit de duisternis en de hopeloosheid kan het onvergankelijke geestelijke wezen tevoorschijn komen. Deze geleidelijke ontwikkeling is niet alleen belangrijk voor de innerlijke psychische en geestelijke groei van de patiënt; hij kan ook een genezend effect hebben op de lichamelijke organisatie. Innerlijke ontwikkeling en gezondheid, inzicht en genezing hangen met elkaar samen en zijn van essentieel belang is bij de begeleiding van patiënten. De patiënt helpen om zich te verbinden met deze innerlijke aspecten is daarom niet een manier om de onvermijdelijke eindigheid van de ziekte te verwerken, maar het draagt bij aan de ontwikkeling van de mens en van zijn genezing in de breedste zin van het woord.

Dr. med. Matthias Girke,  Gemeinschaftskrankenhaus Havelhöhe, Kladowerdamm 221, D-14089 Berlin

Bron: Der Merkurstab – Zeitschrift für Anthroposophische Medizin, Heft 4, 2009

Literatuur:

  1. Kübler-Ross, E. ‘Lessen voor levenden’ – gesprekken met stervenden, ed. 2013 ISBN 97 890 2631 9648
  2. Steiner, R. De weg tot inzicht in hogere werelden. GA 10, ISBN 97 890 6038 5012
  3. Steiner, R. Geloof, hoop, liefde. Uit GA 140
  4. Steiner, R. Theosofie. GA 9, ISBN 97 890 6039 648
  5. Girke, M. Die Arzt-Patient-Beziehung. Der Merkurstab, 2007; 89 (6) 501-515
  6. Steiner, R. Inneres Wesen des Menschen und Leben zwischen Tod und neuer Geburt. GA 153
  7. Steiner, R. De weg tot inzicht in hogere werelden. GA 10, ISBN 97 890 603 85012
  8. Steiner, R. Ursprung und Ziel des Menschen. GA 53
1 2 3