Stervenswijding

 

Geboorte en dood horen samen. Het zijn twee keerzijden van hetzelfde gegeven: ons lichaam wordt ons geschonken bij het begin van ons leven, dus staan we het ook af aan het eind ervan. Dit is niet makkelijk. Wij zijn zo vergroeid met onze lichamelijkheid dat we niet anders kunnen dan ons ermee identificeren. Het opgeven van onze lichamelijkheid is voor ons een opgeven van onszelf. Sterven is verliezen: geen mens wint het van de dood. Deze nederlaag blijft onverdraaglijk zo lang wij niet inzien dat sterven meer is dan doodgaan alleen.

Want sterven doen wij niet pas aan het eind van ons leven. We doen het in kleine stukjes ook lang daarvoor. ‘Soma sema’, schreef Plato: ‘het lichaam is een graf’. Dit werpt een heel ander licht op de dingen. Bij de geboorte sterft een deel van ons. Het wordt in de lichamelijkheid gebannen. In de dood wordt dit deel opnieuw bevrijd en herboren.
Onze geest staat op. Verrijkt verlaten wij de wereld: ‘Want voor mij is leven Christus en sterven winst’ (Filippenzen 1, 21). Het sacrament van de stervenswijding sluit in die zin niets af. Het is geen eindpunt, maar integendeel de sacrale opening van het subtiele geboorteproces dat elk sterven is. Door de zalving met gewijde olie begint een leven dat voert van bestaan tot bestaan.
De nabijheid van de dood brengt het vermoeden van een hoger leven. Het sterfbed biedt een nieuw ontwaken.
De tijd wordt ruimte en wij zien onszelf.

Mathijs van Alstein, geestelijke in de Christengemeenschap, gemeente Zeist