Onverwachte troost

Geplaatst in: inspiratie | 0

Een paar jaar geleden bezocht ik de conferentie “Das Leben im Tode” in Dornach.  Ik wilde graag meedoen aan een werkgroep over het sterven van kinderen. Maar een soort bijgelovigheid weerhield mij ervan, omdat onze dochter net tweemaal een miskraam had gehad, de tweede keer van de helft van een tweeling. Ik was bang dat, als ik zou gaan, ik als het ware onheil zou afroepen over het kindje dat zij nog droeg. Toch ging ik en daar hoorde ik op een bepaald moment  tot mijn verrassing de groepsleidster zeggen, dat zij vaak meemaakte dat tijdens de zwangerschap één helft van een tweeling stierf, soms in zo’n vroeg stadium, dat de moeder het niet eens merkte. En dat zij gedurende de tijd van haar lange ervaring het beeld had gekregen, dat het kindje dat gestorven was alleen een soort geboortehulp was geweest voor het kindje dat nu geboren kon worden en het zonder die ander niet had gered. Het kindje dat zich had teruggetrokken, kon zich nu voorbereiden op zijn eigen volgende incarnatie.
Ik was getroffen, niet alleen om de troost die van die gedachte uitgaat, maar om het bijzondere perspectief dat kan verschijnen, wanneer je ook achter de uiterlijke feiten kunt kijken. Het voelde alsof ik naar deze groep geleid was.

Niet-reanimeren-penning Patiënten Federatie

Geplaatst in: nieuws, uitgelicht | 0

“Ik verbied iedereen, onder alle omstandigheden, elke vorm van reanimatie op mij toe te passen”. Dat is de duidelijke boodschap die dragers van een niet-reanimeren-penning geven aan hulpdiensten en zorgverleners. De penning is een draagbare wils-verklaring. Door de penning geven mensen aan hulpverleners aan, dat zij bij een hartstilstand niet geholpen willen worden. De Patiëntenfederatie geeft de penning uit op verzoek van het ministerie van VWS. Het is een neutrale penning die los staat van een eventueel lidmaatschap van de NVVE, die de penning eerder uitgaf. Met de overdracht naar de Patiëntenfederatie is er niet alleen voor de dragers, maar ook voor hulpverleners een herkenbare neutrale penning. De ‘oude’ penning van de NVVE blijft overigens wel geldig. Iedereen die dat wil kan nu de penning aanvragen en zo een voor hen belangrijke wens kenbaar maken.

De penning is te bestellen voor € 37,50 via www.patientenfederatie.nl/penning, maar ook telefonisch via 030-2916700. In de begeleidende folder worden mensen gestimuleerd om hun wens niet gereanimeerd te worden ook te bespreken met hun naasten en (huis)arts. Zo kan de wens ook geregistreerd worden.

Verbinding

Het was één dag voordat mijn vader stierf. Ik zat bij uitzondering even alleen bij hem, toen hij verzuchtte dat het zo moeilijk was.  ”Wàt is er zo moeilijk pap”, vroeg ik?  Zijn antwoord: de verbinding,.. de verbinding… ik wist niet dat ik die zelf moest makentenminste zo lijkt het heb steeds gedacht dat er hulp zou zijnof is dat ook zo?

Het zijn de laatste zinnen die hij uitgesproken heeft. Ik heb zijn hand genomen en gezegd dat die hulp er zéker was!

Toch contact

De eerste vrouw bij wie ik aan het sterfbed zat, lag in coma in het ziekenhuis. Gewoon praten met haar was niet meer mogelijk. Alle leuke herinneringen aan haar heb ik in mijn gedachten opgeroepen en weer beleefd. Geen idee of ik zo met haar “communiceerde”. Dat bleek pas toen ik weg wilde gaan. Met enorme kracht hield zij mijn arm vast.

Ik ben nog een tijd gebleven. De volgende dag is zij gestorven.

Orgaandonatie
John Hoogervorst

Geplaatst in: nieuws | 0

 Kortgeleden werd ook door de Eerste Kamer een wet aangenomen waarin wordt bepaald dat diegenen die daaromtrent niets vastleggen, daarmee aangeven na hun overlijden geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van hun organen als donororgaan.

De vragen rondom orgaandonatie leven al langer en zullen door de nieuwe wet zeker niet verstommen. De meest brisante vraag is de volgende: wanneer is een mens overleden en zijn de criteria die daarvoor in de  geneeskunde gehanteerd worden correct? Met andere woorden: worden donororganen werkelijk na de doodafgestaan, of is het zo dat ze nog bij levenworden uitgenomen? Het ´hersendood-criterium´ dat nu gehanteerd wordt is op zijn zachtst gezegd verdoezelend: wie hersendood is leeft nog. Wie hersendood is én heeft aangegeven orgaandonor te willen zijn of daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal  komen te overlijden tijdens de operatie om de organen ´uit te nemen´. De toekomstige nabestaanden, die (meestal)  zonder daarvan het fijne te weten, mogelijk desgevraagd toestemming verlenen de organen van hun familielid te doneren, worden vervolgens verzocht afscheid te nemen van hun partner of familielid, die weliswaar buiten bewustzijn is, maar nog altijd leeft.

Zoals achter vele actuele vraagstukken gaat hierachter een fundamentele vraag schuil. Het is de vraag die ieder mens die in deze tijd leeft moet beantwoorden, in en door de praktijk van zijn leven, zelfs wanneer hij zich niet bewust is van het feit dat deze vraag er is. Die vraag hangt samen met het mensbeeld dat je er op na houdt en zou als volgt verwoord kunnen worden: is de mens niets meer en niets anders dan een lichamelijkheid waarin zich allerlei complexe processen  afspelen; of is de mens een wezen dat zich tijdens het leven op aarde van een lichaam bedient en dat vóór de geboorte en ook ná de dood een bestaan kent?

Op een huis-, tuin- en keukenmanier kan deze vraag ook zó gesteld worden: valt u samen met uw lichaam – of bent u nog iets meer of iets anders dan dat? Wie van de tweede optie overtuigd is, zal begrijpen dat de dood, net als het geboren worden, geen kwestie van een knop is die op ´uit´ of ´aan´ gezet wordt. Het uitblazen van de laatste adem is deel van een proces, het stervensproces, dat met het uitblazen van die laatste adem nog niet voltooid is. En ´hersendood´ is de mens zelfs nog vóórdat hij zijn laatste adem uitblaast. We laten die vraag staan – ieder die dat wil vormt zijn eigen antwoord op die vraag en verbindt daar zijn zelfgekozen  conclusies aan. Daar de nieuwe wet bepaalt dat mijn organen na het moment dat door de medische wetenschap als het sterfmoment  is uitgekozen, mogen worden ´uitgenomen´ – het geldt voor de uwe ook – is de wetgever kennelijk van mening dat mijn lichaam – net als het uwe – onder de beschikking van de staat valt op het moment dat de wetenschap zegt dat het overleden is. Alsof ik mijn lichaam – en u het uwe – in bruikleen van de staat heb.

Je kan toch laten registreren dat je géén donor wilt worden? Ja dat kan.

Ondertussen vraag ik mij wel af hoe dat zit met grote groepen mensen die zich niet kunnen registreren als niet-donor. Ouderen zonder computer, mensen die niet kunnen lezen,  mensen die de taal niet voldoende machtig zijn, mensen die de grootst mogelijke moeite hebben welke officiële brief dan ook te begrijpen, mensen die er domweg geen idee van hebben dat deze wet straks in werking treedt, mensen die geen idee hebben dat deze wet ook over hen gaat. Dat zijn er werkelijk wel een paar miljoen maar het aantal is niet van doorslaggevend belang. Al was het er maar één. En daarnaast zijn er nog de mensen die geen idee hebben van de realiteit achter het ´hersendood-criterium´ en die mogelijk tot een andere beslissing zouden komen wanneer dat wel het geval zou zijn.

Mijn conclusie kan in drie varianten worden verwoord:

  • Een wet die zonder expliciete toestemming van de betrokkene toestaat dat zijn organen worden uitgenomen, is uitdrukking van een volkomen verachting voor de integriteit van het menselijk wezen.
  • Wie dat wil, hij schenke, voor of nadat hij gestorven is, zijn organen aan een ander. Dat kan een daad van grote menselijkheid zijn. Wie meent het recht te hebben een ander, gestorven of niet, de organen te ontnemen zonder dat die ander daarin bewust en in vrijheid heeft toegestemd, begaat een misdaad.
  • Het antwoord op de vraag ´wat is de mens?´ is een antwoord dat ieder van ons zelf formuleert: door dat wat hem hierover tot bewustzijn is gekomen en door dat waarmee hij zijn leven inhoud geeft. Het gaat niet aan dat een instantie van buiten (zoals de staat) op deze vraag een uniform en algemeen geldend antwoord geeft.
auteur: John Hoogervorst

Dit artikel verscheen eerder op de website www.driegonaal.nl

 

Leestip over gezichtspunten rondom orgaandonatie en -transplantatie:

Matthijs Chavannes: “Orgaantransplantatie en –donatie” – een spirituele visie / Pentagon

Orgaandonatie
waarom wel, waarom niet?

Hans Stolp

Geplaatst in: boeken, inspiratie | 0

Aan de discussie over orgaandonatie zitten vele kanten. Naast de medische aspecten uiten er nieuwe gezichtspunten op in de discussie. Zo geven ontvangers aan dat er met hun nieuwe orgaan ook herinneringen, emoties en karaktereigenschappen van de donor blijken mee te komen. Alsof de zal van de donor in hen voortleeft en zij nu twee zielen hebben. Mensen die in diep coma verkeren en ‘hersendood’ worden verklaard, sterven op de operatietafel als hun organen worden uitgenomen.
Orgaandonatie kan dus heel wat ingrijpender gevolgen hebben dan de officieel instanties ons vertellen. He wordt hoog tijd ons af te vragen: wat pleit er eigenlijk vóór orgaandonatie en wat is ertegen? Dit boek belicht aspecten van orgaandonatie die in de officiële discussie zelden of nooit aan bod komen.

Uitgave van AnkhHermes, in 2015

ISBN 9789020212365

Als een roos

Geplaatst in: inspiratie | 0

Toen onze schoondochter stierf – zij leed aan spierdystrophie en werd daardoor maar 41 jaar – bereidde zij haar sterven en uitvaart uiterst zorgvuldig en soeverein voor, precies zoals zij haar leven geleid had. Het lot gunde het haar, dat alles vrijwel verliep zoals zij het wilde, zodat zij als het ware uit het leven weggleed. Wat er op de rouwkaart zou staan, was heel belangrijk voor haar en ik herinner me, hoe stralend tevreden zij keek, toen zij vertelde dat de kaart nu klaar was, door haar zelf samen met een vriendin ontworpen. Na haar overlijden bleek het een prachtige kaart geworden, waarbij de tekst precies uitdrukte wat zij over zichzelf wilde zeggen:

 

als een roos volledig uitgebloeid

na een krachtige tijd over de top van haar schoonheid heen

uitziend naar een moment van rust

om te kunnen bezien en te herstellen

voorbereidend op een nieuwe bloei.

om weer een roos in de knop te zijn

aan het begin te staan van een volgend bestaan

om opnieuw open te breken, uitbundig te bloeien, te groeien,

opnieuw verlangend naar de schoonheid van het bestaan

Het levenseinde
Bastiaan Baan

Het begin van het levenseinde
  • Excarnatieproces, onzekerheid en angsten: de fijne motoriek en de steun van de hersenen, die je de herinnering geven, beginnen je te ontvallen. De oriëntatie in ruimte en tijd valt weg: je bent niet helemaal HIER maar ook niet helemaal DAAR. Dat gaat bijna altijd gepaard met onzekerheid en op een gegeven ogenblik ook met angsten. Het lichaam begint gebreken te vertonen. Alles wat van buitenaf komt dringt ongehinderd naar binnen.
  • Communicatie: de taal van stervenden kan een boodschap inhouden. De non-verbale communicatie spreekt soms boekdelen. Zelfs zonder bewegingen kunnen ouderen, dementerenden en stervenden in dat laatste proces zonder woorden iets zeggen.
  • De dubbelganger: kort voor het levenseinde verschijnt en verdwijnt dit wezen, dat alles wat met onze schaduwzijde te maken heeft, in zich verzamelde. Het kan het allerlaatste stukje van het leven niet meemaken. Wanneer de dubbelganger iemand verlaten heeft, ziet de toekomst er plotseling rooskleurig uit, ziet de stervende er als bevrijd, als verlost uit. Er is alleen vrede.
  • Verlies: alles wat met de weg naar het sterven te maken heeft, is verbonden met verlies van datgene wat je fysiek en in je levenskrachten verbindt met de aarde en wat je in de zielekrachten verbindt met de maatschappij om je heen. Niets van wat wij hebben gaat mee door de poort van de dood, alleen wat wij zijn.
  • Winst: wat voor de aardse wereld een verlies is, betekent echter voor de ander kant winst. We hebben daarvoor de inzichten van een geschoolde helderziende nodig, om te begrijpen wat er in werkelijkheid gebeurt.
  • Verzorgen: de stervende vrijlaten, weinig meer aanraken. Eerst kijken, voordat je iemand verzorgt, stoor hem niet in zijn proces. Maar wel de zorg geven die nodig is – zoek de middenweg.

 

Vingeroefeningen voor de toekomst – hoe bereid ik me voor?
  • Bewust afstand doen van je verworvenheden. (Lijkwaden worden zonder zakken genaaid.) Je moet alles afleggen vóór je door het oog van de naald gaat. Wat kun je doen om willens en wetens arm te worden op die weg, om niet alleen de laatste belevenissen, maar ook de eerste ‘bestervenissen’ bewust door te maken?
  • Verwachtingsvol leven: de belangrijkste opgave in deze periode is verwachtingsvol leven, als een kind dat zich verheugt op de kerstboom achter de deur. Ieder ogenblik kan mij iets nieuws schenken, ook in de armoede, ook in de ontbering (Steiner).
  • Liefde op het laatste gezicht: nog één keer kijken naar de mensen die je dierbaar zijn, maar ook naar hen die je niet dierbaar zijn. Als het de laatste keer is, zien ze er misschien anders uit (Steiner).
  • Leren loslaten: waarom is dat zo moeilijk? Loslaten begint eigenlijk al vóór de geboorte: je moet de zielenwereld, de baarmoeder verlaten. Nu komt het loslaten van schuldgevoelens, van dierbaren, van verworvenheden.
  • Leren vergeven: met een daad van vergeving wordt ons beider last, die op onze schouders rust, lichter. Daarom is het zo ongelooflijk belangrijk om tijdens het leven, nu, die daad van wat iemand anders mij heeft aangedaan te vergeven, omdat het na de dood niet meer kan.
  • Leren overzien: oefening door terugblik op de dag, in omgekeerde volgorde. Jezelf een termijn stellen (5 a 10 minuten). Het zoeken naar de rode draad in je leven,Het bespreken en zo mogelijk afronden van onafgemaakte zaken.Het bespreken van het naderende sterven en de ritualen van de Christengemeenschap, zoals het lezen van Johannes 17 en het waken bij de gestorvenen.

Broederschap tussen levenden en gestorvenen
Bastiaan Baan

Bastiaan Baan

schilderij Mieke Fielmich

Verbondenheid met gestorvenen is in deze tijd een vraag, in vroegere culturen was het een vanzelfsprekendheid. Tot ongeveer twee eeuwen geleden waren samenlevingen verbonden met gestorvenen. Dit contact was een doorslaggevende cultuurfactor. Dat is te zien in de zogeheten dodenboeken uit Egypte en uit Tibet, in de voorouderverering en aan cultuurgoed dat we in musea kunnen bekijken, zoals mummies.
Nu is het geen cultuurfactor meer. Voor het eerst staan de gestorvenen in de kou, collectief. Men doet alsof ze er niet meer zijn, men sluit ze buiten.  Ik mag op deze bijzondere plaats een lezing houden, een plek waar wel een bewustzijn van en een cultuur voor de gestorvenen is. Hier is zorg voor stervenden en gestorvenen. Ik koester een stille hoop dat er in deze constellatie aan verder gewerkt kan worden.

We kunnen ons afvragen hoe we dat dan doen, broederschap met gestorvenen cultiveren? En hoe zij dat doen? Is er verschil tussen pas-gestorvenen en degenen die zijn thuisgekomen in die andere wereld?  Al vanouds werd de sterfdag ‘dies natalis’ genoemd, de ‘geboorte-dag’. De pasgestorvene is als een pasgeboren baby. Kort voor zijn onverwachte sterven schreef een vijftienjarige een gedicht:

Twee geweven handen
ontvouwen zich als twee vleugels.
Een onverklaarbaar licht.
Vreugdekreten, ongehoord:
ongeboren wezen.
Afgezonderd mens zijn,
hulpeloos geplant.

Er spreekt een aanvoelen uit van wat er stond te gebeuren.

Een pasgestorvene is met al zijn vezels verbonden met ieder die in zijn leven, zowel ten goede als ten kwade, een rol speelde. De gestorvenen kunnen in de eerste tijd na hun overlijden over de schouder meekijken, signalen geven.

Een collega had geldzorgen en was van plan zijn viool te verkopen om brood op de plank te krijgen. ’s Nachts stond zijn pasgestorven vader voor hem en zei op zijn karakteristieke wijze: ‘Je laat het!’. Een dag later kwam er uitkomst in de financiële problemen. De gestorvene stuurde bij vanuit een ander inzicht in de situatie.  Dit duurt een ‘gestorvenen-jaar’, een periode van verbonden-zijn bij de gratie van het terugkijken op het eigen leven. Als de gestorvene dat voorbije leven heeft kunnen loslaten kan hij naar een ander gebied opstijgen.

Voor recent gestorvenen is het aanknopingspunt het lief en leed wat gedeeld is, uit het dagelijks leven gegrepen. Dit kan gebeuren vanuit een aantrekkingskracht, zowel vanuit een liefde-relatie, als vanuit de hindernissen die je samen had. Herbert Hahn, een jonge leraar op de eerste Vrije School in Stuttgart, kwam bij Rudolf Steiner n.a.v. ervaringen met zijn overleden vader. De herinnering hoe zijn vader hem op zijn 15een zakhorloge had gegeven vormde de verbinding. Rudolf Steiner zei: ‘Juist door sterk gekleurde ervaringen kan contact ontstaan. De gestorvene schildert vanuit de andere zijde mee.’  Op dit gebied zouden we  als het ware expressionisten moeten worden.

Hoe concreter de verbinding bij leven was, des te concreter de verbinding na het sterven kan worden. We kunnen dicht bij huis beginnen.  Een werkster vertelde hoe zij na het sterven van haar stiefvader met hem omging. Aan het einde van de dag nam ze zijn foto en praatte tegen hem. ‘Dag stief, hoe gaat het nu met jou? Weet je nog van toen en toen?’ Nadat ze enkele herinneringen had opgehaald,vertelde ze hoe het met haar ging. Ze droomde elke nacht dat ze een berg op klom, naar een kasteel. Ze wandelde naar binnen en kwam in de eerste zaal, waar mensen zaten die als van was leken. In de tweede zaal was het leeg. In de derde zaal vond zij haar stiefvader, springlevend. ‘Je bent toch dood?’ ‘Nee, waar ik ben, bestaat de dood niet’. Dan aten en dronken ze samen. Zo ontstond een onbekommerd zoeken, vanuit kleurige, levendige herinneringen.

Rudolf Steiner zei: ‘Wat ons na aan het hart lag, kleurt de gedachte zo, dat het op het moment van inslapen naar de overledene toestroomt’. Dat vraagt om een actieve ontvankelijkheid, zonder vooroordeel. Zowel activiteit als ontvankelijkheid zijn nodig om een begin te maken, in een pendelslag tussen nabijheid en distantie.

Friedrich Rittelmeyer droomde een paar jaar na de dood van Rudof Steiner, dat hij in een tunnel aan het hakken was met een hamer. Dan hoort hij vanaf de andere kant ook kloppen. Steiner spreekt: ‘Volhouden, Rittelmeyer, ik kom van de andere kant‘.

De ontvankelijke zijde kunnen we herkennen bij de predikant J.F.Oberlin (1740-1826), die in de woestenij van het ‘Steintal’ in de Vogezen een gemeente probeerde op te bouwen. Zijn werk is ondenkbaar zonder zijn ‘Geistes-Ehe’. Hij is 16 jaar lang gelukkig getrouwd, als zijn vrouw bij de geboorte van hun negende kind een voorgevoel heeft en afscheid van hem neemt. Hij is vertwijfeld als zij een paar dagen later sterft. In die opengebroken stemming hoort hij na negen dagen: ‘Ik zal om je heen zijn’. Dit was het begin van een geestelijk huwelijk van negen jaar. Iedere nacht om drie uur, op een vast tijdstip, wekt ze hem, door zijn pink aan te raken. Negen jaar lang duurt deze intensieve verbinding. Overdag is hij heel praktisch bezig, helpt aardappelvelden te ontginnen, bomen te planten, straten aan te leggen. ’s Nachts houdt hij in dagboeken bij hoe de wegen zijn van gestorven gemeenteleden. Een burger van twee werelden. Na negen jaar bemerkt hij een veel grotere distantie tot haar. Is zijn vrouw in een andere fase beland? Rudolf Steiner zegt hierover: ‘Na een geest-jaar – dat is de tijd die een gestorvene in het zielenrijk moet doorbrengen – wordt de verbinding die er tot dan toe bestond met de zielenwereld tot een verbinding met de geest-wereld’.

Als ons leven 90 jaar heeft geduurd, zal de periode in het zielenrijk, het kamaloka, ongebeer 30 jaar duren. De gestorvene wordt wijs, zijn zieleroerselen spelen geen rol meer, het zielelichaam wordt afgelegd. Alleen het eigenlijke wezen blijft voortbestaan. Concrete aanknopingspunten uit het voorbije leven werken nu niet meer. De gestorvene heeft ander voedsel nodig. In deze fase doet het er niet meer toe of degene die contact zoekt een bekende is. Het contact hangt ervan af of ik in staat ben mij onzelfzuchtig in het leven van de ander te verplaatsen.

Doorslaggevend lijkt dat we kunnen aanleunen tegen gestorvenen die inmiddels wijs zijn geworden. Hun inzichten hebben we nodig om houdbare besluiten te nemen. Als we zo de verbinding cultiveren kan dat heel productief zijn. We kunnen gestorvenen helpen door het voorlezen van spirituele gedachten, doorvoeld door kleurige gevoelens, die voor hen voedend zijn. Onze tijd is vermoedelijk de eerste waarin de gestorvenen aan lege tafels zitten. Nodig is het voortzetten van hun impulsen op aarde. Rudolf Steiner zei:’ Iedere nacht zijn ze om ons heen, maar wat vinden ze? Huis-tuin-en-keuken-zaken, een akker met distels en doornen. Wij kunnen voor hen een tafel dekken door hen onze geestelijke gedachten te sturen’.

De verbinding met één enkele gestorvene kan soms grote gevolgen hebben. Een voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog, dat zijn oorsprong heeft in de Eerste Wereldoorlog: een Engelse officier, Wellesley Tudor Pole, vecht in de eerste wereldoorlog, in de omgeving van Jeruzalem. Hij heeft een gesprek met zijn strijdmakker. Die zegt tegen hem: ‘Ik zal morgen sterven. Jij blijft in leven en zult een nog grotere oorlog meemaken. Wanneer die tijd komt, denk dan aan ons. Geef ons de mogelijkheid mee te werken. Geef ons iedere dag een ogenblik stilte. De macht van het zwijgen is sterker dan jullie denken. Vergeet ons niet, wanneer die oorlog komt’. Tudor Pole overleeft de oorlog  en gaat terug naar Engeland. Als in 1940 de oorlog uitbreekt komt deze vraag van zijn gestorven strijdmakker hem in herinnering. Hij legt contact met mensen die leiding geven en vertelt zijn verhaal.  Vanaf 26 mei 1940 wordt er bij koninklijk besluit iedere dag om negen uur ’s avonds een minuut stilte gehouden om de doden te herdenken. Drie dagen daarna gebeurt het ‘wonder van Duinkerken’. Een Engels leger van 250.000 man dreigt aan de kust in Frankrijk door de Duitsers ingesloten te worden. Er komt nevel opzetten. Beschermd door de nevel en bij gunstige wind en rustig weer kan dit leger de oversteek over het Kanaal maken. De mensen in het Britse rijk voelen: in die ‘silent minute’ is iets gebeurd. Dat raakt ook de Duitsers. Na de oorlog horen de Engelsen van een veroordeelde Duitse bevelhebber: ‘U had een geheim wapen, dat we niet begrepen. Dat had te maken met het luiden van de klok om negen uur ’s avonds’.
De ‘Big Ben silent minute’ werd 21 jaar lang  elke dag in acht genomen. Van iets wat begon tussen twee mensen kon er regionaal, landelijk en wereldwijd iets groeien van groot belang.

Michael Bauer zei op de avond voordat hij stierf:

‘Wanneer het mogelijk zou zijn, dat de levenden niet meer aan de gestorvenen zouden denken, en wanneer de gestorvenen niet meer aan de geliefde levenden zouden denken, dan zou alle liefde ophouden te bestaan. Maar dat is immers niet mogelijk’.

Geestelijke liefde vormt een brug. Dat is een hoopvol perspectief voor iedereen en voor alle problemen waarvoor we in de wereld staan.

 

Dit is een verslag van een lezing gehouden in Huize Valckenbosch in Zeist.

1 2 3